Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200509570/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oudewater (hierna: het college) bouwvergunning aan [vergunninghouder] verleend voor het vernieuwen van een schuur op het perceel [locatie] te Oudewater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509570/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Oudewater,

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 2005/556 van de rechtbank Utrecht van 17 oktober 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Oudewater.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oudewater (hierna: het college) bouwvergunning aan [vergunninghouder] verleend voor het vernieuwen van een schuur op het perceel [locatie] te Oudewater.

Bij besluit van 11 januari 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 januari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 1 februari 2006 heeft [vergunninghouder] een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.P.W. van den Berg en H.A. Lantinga, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. B.A. Wille.

2.    Overwegingen

2.1.    Het inmiddels gerealiseerde bouwplan voorziet in de oprichting van een schuur met een goothoogte van 4 meter en een nokhoogte van 7,1 meter.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Brededijk" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceelsgedeelte waarop de schuur is voorzien de bestemming "Erf (E)".

   Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming erf bestemd voor erf en in samenhang daarmee voor bebouwing met:

a. woonruimten behorende tot en aangebouwd aan de woningen op de aangrenzende bebouwingsstrook;

b. garages, bergplaatsen en ruimten voor vrijetijdsbesteding en voor de uitoefening van een vrij beroep;

c. bouwwerken, geen gebouw zijnde, van ondergeschikte betekenis in verband met de bestemming van de aangrenzende bebouwingsstrook;

d. magazijnen en/of bedrijfsruimten, voor zover de aangrenzende bebouwingsstrook mede is bestemd voor bedrijven.

2.3.    Appellanten betogen dat de hoogte van de schuur in strijd is met artikel 2.5.18 van de bouwverordening van de gemeente Oudewater.

2.3.1.    Ingevolge 2.5.18, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Oudewater zijn erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, niet toegelaten. De schuur kan niet worden aangemerkt als een erf- en terreinafscheiding als bedoeld in voormeld artikel 2.5.18. Van strijd met die bepaling is dan ook geen sprake. Reeds hierom faalt het betoog van appellanten.

   Het betoog van appellanten dat de schuur vanwege de hoogte ervan in strijd is met redelijke eisen van welstand, faalt evenzeer. Het college heeft zich voor zijn welstandsoordeel gebaseerd op het positieve advies van 31 augustus 2004 van de welstandscommissie. Niet gebleken is dat dit advies zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen. Dat de plaatsing van de schuur in verband met de omgeving niet door de welstandscommissie is beoordeeld, is door het college op afdoende wijze weerlegd. Door appellanten is voorts geen deskundig tegenadvies overgelegd.

2.4.     Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bouwplan ten onrechte in overeenstemming met het bestemmingsplan heeft geacht.

2.4.1.    Naar het oordeel van de Afdeling kan een schuur worden begrepen onder bergplaatsen als genoemd in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Anders dan appellanten betogen, wordt voor het oordeel dat geen sprake is van een bouwwerk dat krachtens het bepaalde in artikel 11 van de planvoorschriften is toegestaan dan ook geen grond gevonden. Het beroep van appellanten op de artikelen 7 en 8 van de planvoorschriften heeft de rechtbank terecht verworpen. Zij heeft daartoe terecht overwogen dat deze bepalingen, voor zover thans van belang, voorschriften bevatten voor het bouwen op gronden met de bestemmingen  "Woondoeleinden" onderscheidenlijk "Woondoeleinden en bedrijven", van welke bestemmingen in dit geval geen sprake is. Gelet hierop wordt met de rechtbank geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het betoog van appellanten faalt derhalve.

2.5.    De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat in hetgeen overigens door appellanten is aangevoerd, geen aanleiding wordt gevonden voor het oordeel dat zich één van de weigeringsgronden die in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet zijn vermeld, voordoet. De stelling van appellanten dat zij hinder ondervinden door de hoogte van de schuur, wat daar ook van zij, maakt dat niet anders.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

17-423.