Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5070

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200508924/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap Roma Beheer N.V. (hierna: Roma) bouwvergunning verleend voor een kamerverhuurbedrijf op het perceel Baronielaan 63 te Breda (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508924/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/122 van de rechtbank Breda van 16 september 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap Roma Beheer N.V. (hierna: Roma) bouwvergunning verleend voor een kamerverhuurbedrijf op het perceel Baronielaan 63 te Breda (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 december 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 26 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 januari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2006, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. M.A.J. Roelands, advocaat te Etten-Leur, en het college, vertegenwoordigd door drs. C.T.M. van Slingerland, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het verbouwen van het pand op het perceel teneinde het geschikt te maken voor de verhuur van kamers daarin.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Breda-Zuid" rust op het perceel de bestemming "Woongebied (W)".

   Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor wonen.

   Ingevolge artikel 4 (beschrijving in hoofdlijnen) van de planvoorschriften voor zover thans van belang, wordt versterking van de woonfunctie nagestreefd, waarbij rekening wordt gehouden met alle woningtypen in verband met veranderingen op de woningmarkt en bevolkingssamenstelling.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

2.3.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in artikel 6 van de planvoorschriften geen onderscheid naar woonvorm wordt gemaakt en dit voorschrift derhalve niet in de weg staat aan het onderhavige bouwplan. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de verwijzing van appellanten naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2004 in zaak no. 200400021/1 geen doel treft, nu in die zaak ter plaatse de bestemming "Woningen" gold, onder welk begrip, blijkens de planvoorschriften werd verstaan: een gebouw, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden.

    Dat in artikel 1, sub 22, van de planvoorschriften het begrip woning is gedefinieerd, betekent niet dat de in artikel 6 van de planvoorschriften opgenomen doeleindenomschrijving beperkt is tot woningen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

328-444.