Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5067

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200507931/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) het verzoek van appellant om de bouwactiviteiten van [partij] aan het pand [locatie] stil te leggen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507931/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Noordwijk,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4447 van de rechtbank

's-Gravenhage van 3 augustus 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) het verzoek van appellant om de bouwactiviteiten van [partij] aan het pand [locatie] stil te leggen, afgewezen.

Bij brief van 15 oktober 2004 heeft het college het daartegen door appellant ingediende bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank).

Bij uitspraak van 3 augustus 2005, verzonden op 4 augustus 2005, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 7 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van eveneens 1 december 2005 heeft [partij], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. D. Gruijters, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van der Steen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [partij], vertegenwoordigd door H. van der Haar, architect.

2.    Overwegingen

2.1.    Blijkens het besluit van 6 september 2004 bestaan de bouwactiviteiten waarop het verzoek van appellant betrekking heeft uit het verplaatsen van een voordeur en het uitbreiden van een kelderverdieping.

2.2.    Appellant komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college het verzoek om de bouwwerkzaamheden stil te leggen terecht heeft afgewezen, omdat die werkzaamheden vergunningvrij zijn.

2.2.1.    Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.    Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb), wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet, voor zover hier van belang, aangemerkt: het bouwen van een op de grond staande aan- of uitbouw van één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw, die strekt tot vergroting van het woongenot, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1º gebouwd aan:                                                                                            a) de oorspronkelijke achtergevel op meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen of                                                                                   b) een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel op meer dan 1 m van het voorerf en meer dan 1 m van het naburig erf                                                                                                     (…).

Ten aanzien van de voordeur

2.2.2.    Door het verplaatsen van de voordeur is de overdekte ruimte tussen de woning en de naastgelegen berging dichtgemaakt, waardoor de hal van de woning wordt vergroot. Appellant betoogt dat het college in het besluit van 6 september 2004 ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat als gevolg van deze activiteit de berging vanuit de woning rechtstreeks bereikbaar zou worden en daarmee in een aanbouw zou veranderen die niet voldoet aan alle kenmerken van het Bblb.

    De rechtbank heeft echter aan de hand van door [partij] overgelegde tekeningen van de feitelijk voltooide werkzaamheden en diens verklaringen, naar uit in hoger beroep overgelegde foto's blijkt, met juistheid vastgesteld dat een bestaande deur die de berging met de hal verbond naar de achterkant is verplaatst, zodat de berging niet langer toegankelijk is vanuit de woning en reeds daarom, anders dan appellant betoogt, niet kan worden aangemerkt als een aanbouw. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de vergroting van de binnenruimte van de woning door verplaatsing van de voordeur moet worden aangemerkt als een uitbouw als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van het Bblb, waarvoor geen bouwvergunning is vereist.

Ten aanzien van het vergroten van de kelderverdieping

2.2.3.    Als gevolg van de uitbreiding van de kelder, die door een uitgraving in het duin in het verleden uitkomt op een terras, steekt een deel van de gevel van de woning 20 centimeter uit, welk gedeelte is voorzien van een deur en een raam.

    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de onderhavige uitbreiding van de kelder moet worden aangemerkt als een op de grond staande uitbouw van één bouwlaag aan een bestaande woning als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van het Bblb. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat deze bepaling niet op het vergroten van de kelder van toepassing is omdat de kelder zich grotendeels onder het maaiveld bevindt. Dat een uitbouw zich boven het maaiveld moet bevinden is geen eis die in artikel 2 wordt gesteld. Nu de uitbouw ook aan de overige kenmerken van artikel 2, aanhef en onder a, van het Bblb voldoet, is ook hiervoor geen bouwvergunning vereist.

2.2.4.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college het verzoek om de bouwwerkzaamheden stil te leggen terecht heeft afgewezen. Het betoog faalt derhalve.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

429.