Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5061

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200507407/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van 's-Gravenhage, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 november 2004, het bestemmingsplan "Rijswijkseplein" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de stads- en dorpsvernieuwing
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 367 met annotatie van F.A.G. Groothuijse
Milieurecht Totaal 2006/4946 met annotatie van F.A.G.Groothuijse
JBO 2006/9
JOM 2009/829
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507407/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de stichting "Stichting Actiegroep Het Vergeten Dorp", tevens handelend onder de naam "Stichting Bewonersorganisatie Schipperskwartier", gevestigd te 's-Gravenhage,

2.    de stichting "Stichting Buurtstation" en [appellant sub 2], gevestigd respectievelijk wonend te 's-Gravenhage,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van 's-Gravenhage, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 november 2004, het bestemmingsplan "Rijswijkseplein" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 juli 2005, DRM/ARB/04/13256A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 23 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2005, en appellanten sub 2 bij brief van 30 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 26 september 2005.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 februari 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten, het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage en Ceres Projecten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2006, waar appellante sub 1 en appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. drs. C.G. Meeder, advocaat te 's-Gravenhage, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. N.A.M. op de Laak, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van 's-Gravenhage, vertegenwoordigd door W. Kelders, mr. J.H. Potter, ing. E. Been en ing. F.A.G. van der Meijden, ambtenaren van de gemeente, en Ceres Projecten, vertegenwoordigd door mr. J.A. Huijgen, advocaat te 's-Gravenhage.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader van de Afdeling

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het bestemmingsplan

2.3.    Het plan voorziet in een bestemmingsregeling voor een gedeelte van het Rijswijkseplein.

   Voor het gebied zijn bouwplannen van woningcorporatie Vestia (hierna: Vestia) in ontwikkeling die voorzien in een "woontoren" (hierna: de woontoren) met een hoogte van maximaal 135 meter en in een uitbreiding van een bestaand kantoorgebouw met een hoogte van maximaal 45 meter. In de woontoren wordt ruimte geboden aan ongeveer 300 studenteneenheden, kleine wooneenheden, ongeveer 50 (huur)appartementen in de vrije sector, horecavoorzieningen en kantoren op de begane grond en de eerste drie lagen en de negenendertigste en veertigste laag en een voor het publiek toegankelijk uitzichtpunt met horecavoorzieningen op de éénenveertigste en tweeënveertigste verdieping. Het plangebied betreft het zuidwestelijke gedeelte van het Rijswijkseplein, in de vorm van een driehoek. De begrenzing aan de zuidzijde wordt gevormd door de spoorlijn Leiden-Rotterdam. Aan de oostzijde loopt de Rijswijkseweg die ter plaatse overgaat in het Rijswijkseplein. Aan de westzijde ligt het stationsplein. Door het plangebied loopt de Hofwijckstraat.

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

Begrenzing plangebied

Het standpunt van appellanten sub 2

2.6.    Appellanten sub 2 voeren aan dat bij de begrenzing van het plangebied is gekozen voor een in omvang te beperkt plangebied.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.1.    Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht. De Afdeling is, gelet op de stukken, van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

Behoefte aan studentenwoningen

Het standpunt van appellante sub 1

2.7.    Appellante sub 1 voert aan dat geen behoefte bestaat aan de in de woontoren te realiseren studentenwoningen.

De vaststelling van de feiten

2.7.1.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.1.1.    In de op 12 februari 2004 door de gemeenteraad vastgestelde nota "Haagse Woonvisie" is vermeld dat in 2002 door bureau Companen onderzoek is gedaan naar de kwantitatieve woonvraag van jongeren van 18 tot 27 jaar en dat een tekort bestaat van 2.000 wooneenheden voor jongeren en dat dit tekort zal groeien. In de nota is vermeld dat teneinde de jongeren voor de stad te behouden in jongerenhuisvesting moet worden geïnvesteerd.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.2.    In hetgeen appellante sub 1 heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat voormeld onderzoek onjuiste gegevens bevat of leemten in kennis vertoont. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de studentenwoningen die het plan mogelijk maakt in een behoefte wordt voorzien.

Financiële uitvoerbaarheid

Het standpunt van appellanten

2.8.    Appellanten voeren aan dat het plan vanuit financieel opzicht niet binnen de planperiode uitvoerbaar is. In dit verband voeren zij aan dat de gemeente 's-Gravenhage aan Vestia de gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden en wonen" om niet ter beschikking heeft gesteld alsmede een bijdrage in de bouwkosten. Volgens appellante is hier sprake van met artikel 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen (hierna: EG) strijdige staatssteun, zodat die bijdragen niet zullen mogen worden verstrekt. Zonder die bijdragen zal het plan volgens appellanten niet kunnen worden gerealiseerd.

Vaststelling van de feiten

2.8.1.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.1.1.    In de plantoelichting is vermeld dat in verband met de realisering van het plan met Vestia is overeengekomen dat de grond waarop de woontoren wordt gebouwd om niet door de gemeente aan Vestia wordt overgedragen en dat door de gemeente aan Vestia een bijdrage aan de bouwkosten van de woontoren wordt verstrekt van € 1.523.811.

2.8.1.2.    Ingevolge artikel 87, eerste lid, EG zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde procedures of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, behoudens de afwijkingen waarin dit verdrag voorziet, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

   Ingevolge artikel 88, derde lid, EG wordt de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 87 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in artikel 88, tweede lid, bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregel niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.

2.8.1.3.    In de Mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties, van 10 juli 1997, PB C 209, blz. 3-5, is vermeld dat de lidstaten de volgende transacties bij de Commissie moeten aanmelden, zodat deze kan vaststellen of er sprake is van staatssteun en, indien dat het geval is, de steun verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan verklaren:

a) iedere verkoop die niet tot stand kwam op basis van een open en onvoorwaardelijke biedprocedure, waarbij het hoogste of enige bod geldt, en

b) iedere verkoop die, zonder een dergelijke procedure, niet tot stand gekomen is tegen op zijn minst de marktwaarde die door de onafhankelijke taxateurs werd vastgesteld.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.2.    Gelet op de hiervoor onder 2.8.1.3. genoemde Mededeling dient het om niet ter beschikking stellen van de gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden en wonen" aan de Commissie te worden gemeld. Nu zodanige melding niet heeft plaatsgevonden valt niet uit te sluiten dat dit moet worden aangemerkt als met artikel 87 EG strijdige staatssteun, zodat onvoldoende duidelijk is of voormelde bijdragen van de gemeente 's-Gravenhage aan Vestia verleend kunnen worden. Dit laatste geldt naar het oordeel van de Afdeling tevens voor de bijdrage van de gemeente 's-Gravenhage aan de bouwkosten van de woontoren. Gelet hierop is daarom onvoldoende duidelijk of de financiering van het plan in zoverre is gegarandeerd.

   Evenwel is ter zitting van de zijde van verweerder en van de gemeenteraad gesteld en door Vestia uitdrukkelijk bevestigd dat het plan, zoals dat is goedgekeurd, zal worden uitgevoerd, ook in geval de gemeentelijke bijdrage niet zal mogen worden verleend en het om niet verstrekken van de grond niet zal mogen plaatsvinden vanwege strijd met artikel 87 EG. Niet gebleken is dat Vestia voor de uitvoering van het plan zonder de voormelde gemeentelijke bijdrage over onvoldoende middelen zou beschikken. Hieruit volgt dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet afhankelijk is van de gemeentelijke bijdragen, zodat reeds hierom niet geoordeeld kan worden dat artikel 87 EG aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan.

Archeologische waarden

Het standpunt van appellanten sub 2

2.9.    Appellanten sub 2 voeren aan dat onvoldoende deugdelijk onderzoek is verricht naar de archeologische waarden in de grond.

Vaststelling van de feiten

2.9.1.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.1.1.    In de plantoelichting is vermeld dat door de Afdeling Archeologie van de Dienst Stadsbeheer van de gemeente onderzoek is uitgevoerd naar de archeologische waarden in de gronden van het plangebied. Daarbij is vermeld dat het gebied volgens de archeologisch-geologische kaart op de strandvlakte ongeveer 1100 meter zuidelijk van de strandwal ligt. De geologische opbouw bestaat uit strandvlaktezand, kleiïge Calais-IV-afzettingen, Hollandveen en opgebracht zand. Op de Indicatieve Kaart voor Archeologische Waarden (hierna: IKAW) van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek staan strandvlakten te boek als gebieden met een middelhoge trefkans, aldus de toelichting. Voorts is vermeld dat het plangebied op de Belvederekaart niet apart is vermeld en het plangebied volgens de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland, 1994, ligt in een gebied waarvan de archeologische waarde niet bekend is. De Afdeling Archeologie van de gemeente merkt het plangebied aan als een terrein met een lage archeologische waarde.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.2.    Door de Afdeling Archeologie van de Dienst Stadsbeheer 's-Gravenhage is onderzoek verricht naar de archeologische waarden in de gronden van het plangebied. Daarbij is zij tot de conclusie gekomen dat de gronden in het plangebied een lage archeologische waarde hebben. In hetgeen appellanten hebben gesteld bestaat geen grond voor het oordeel dat dit onderzoek is gebaseerd op onjuiste gegevens of leemten in kennis vertoont. De enkele omstandigheid dat het plangebied op de IKAW de aanduiding "middelhoge trefkans" heeft maakt dit, nu dit in het voormelde onderzoek is onderkend, niet anders.

Waterberging

Het standpunt van appellanten sub 2

2.10.    Appellanten sub 2 voeren aan dat in het plan ten onrechte niet wordt voorzien in een waterberging.

Vaststelling van de feiten

2.10.1.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.1.1.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting waarin een beschrijving is gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

2.10.1.2.    In de plantoelichting is vermeld dat binnen het plangebied geen waterberging kan worden gerealiseerd. Voorts is daarin vermeld dat tussen het gemeentebestuur van 's-Gravenhage en het bestuur van het Hoogheemraadschap Delfland afspraken zijn gemaakt over het opstellen van een Waterstructuurvisie Den Haag. In die waterstructuurvisie zal ook het huidige plan worden betrokken.

   Voorts is in de plantoelichting vermeld dat de waterafvoer van de bebouwing in het plangebied, vooruitlopend op de waterstructuurvisie, wordt aangesloten op het bestaande waterafvoersysteem op het Rijswijkseplein.

2.10.1.3.    In het deskundigenbericht wordt gesteld dat niet vol te houden valt dat de bebouwing in het plangebied zal leiden tot een toename van eventuele waterproblematiek.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.2.    Voor zover appellanten sub 2 hebben willen betogen dat in de plantoelichting ten onrechte een beschrijving ontbreekt van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding, overweegt de Afdeling dat blijkens de plantoelichting dit aspect vanwege de geringe omvang van het plangebied wordt betrokken bij de Waterstructuurvisie Den Haag. Verweerder heeft er in redelijkheid mee kunnen instemmen dat de waterberging van het plan wordt betrokken bij die waterstructuurvisie. Daarbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat de waterafvoer van de bebouwing zal geschieden door aansluiting op de bestaande waterafvoer van het Rijswijkseplein zodat de waterafvoer in zoverre voldoende is gewaarborgd.

   Appellanten hebben, mede gelet op hetgeen daaromtrent is overwogen in het deskundigenbericht, niet aannemelijk gemaakt dat het plan zal leiden tot wateroverlast.

Stedenbouwkundig

Het standpunt van appellanten sub 2

2.11.    Appellanten sub 2 voeren aan dat het plan in stedenbouwkundig en cultuurhistorisch opzicht niet past in de omgeving. Voorts voeren zij aan dat op een kaart met betrekking tot de reconstructie van het Rijswijkseplein is te zien dat ter hoogte van de gronden die in het plan de bestemming "Gemengde doeleinden en wonen" hebben een plantsoen was gepland zodat daarmee de verwachting is gewekt dat op die plek een plantsoen zou worden gerealiseerd.

Vaststelling van de feiten

2.11.1.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.1.1.    Op de gronden in het plangebied zijn de bestemming "Gemengde doeleinden en wonen" met de nadere aanduidingen "Maximale bouwhoogte 135 meter" en "Horeca inrichting, categorie 1, 2 en 3", de bestemming "Kantoren" met de nadere aanduidingen "Maximale bouwhoogte 45 meter" en "In- uitgang parkeergarage" en de bestemming "Straat" gelegd.

   In de directe omgeving van het gebied zijn verscheidene hoge gebouwen gelegen, zoals het gebouw "De Struijck" met een hoogte van ongeveer 60 meter en aan de overzijde van het spoor een kantoorgebouw aan de Rijswijkseweg en een kantoorgebouw in het Laakhavengebied van respectievelijk 50 en 60 meter.

   Uit de plantoelichting blijkt dat de gemeenteraad zich op het standpunt heeft gesteld dat het vanuit stedenbouwkundig oogpunt wenselijk is om in het plangebied hoogbouw te realiseren die aanzienlijk hoger is dan de reeds bestaande bebouwing. Daarbij is de nota "Hoogbouwvisie Den Haag" tot uitgangspunt gekozen. In deze nota is vermeld dat ter plaatse van het plangebied hoogbouw tot een hoogte van 140 meter mogelijk is.

   In het deskundigenbericht is vermeld dat het gebied is omringd door nieuwe gebouwen en dat van een historische omgeving geen sprake is.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.2.    Niet ontkend kan worden dat het plan bebouwing mogelijk maakt die aanzienlijk hoger zal zijn dan de bebouwing in de directe omgeving van het plangebied, zodat in zoverre sprake is van een afwijking van de reeds bestaande bebouwing. Gelet op de aard en omvang van de in de directe omgeving van het plan liggende bebouwing heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijke nieuwbouw, niet zodanig afwijkend zal zijn dat deze vanuit stedenbouwkundig en cultuurhistorisch oogpunt niet passend is.

   Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat door het gemeentebestuur de verwachting was gewekt dat ter hoogte van de gronden die in het plan de bestemming "Gemengde doeleinden en wonen" hebben een plantsoen zou worden aangelegd, overweegt de Afdeling dat aan de door appellanten genoemde kaart met betrekking tot de reconstructie van het Rijswijkseplein, daargelaten de betekenis van die kaart, geen rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

Woon- en leefklimaat

Het standpunt van appellanten

2.12.    Appellanten hebben aangevoerd dat het plan leidt tot een verslechtering van het woon- een leefklimaat ten gevolge van schaduwwerking, windhinder, parkeeroverlast en onveilige verkeerssituaties. Appellante sub 1 heeft in dit verband tevens aangevoerd dat het plan ten onrechte horecavoorzieningen mogelijk maakt, hetgeen zij in strijd acht met de Leefmilieuverordening. Appellanten sub 2 hebben in dit verband voorts aangevoerd te vrezen voor geluidhinder waarbij zij ter zitting in dit verband hebben gesteld dat dit bezwaar zich richt tegen de verleende grenswaarden voor het spoorwegverkeerlawaai, die zij te hoog achten, terwijl volgens hen tevens onvoldoende duidelijk is of aan deze grenswaarden kan worden voldaan.

Vaststelling van de feiten

2.12.1.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.12.1.1.    Bij de beoordeling van de bezonning heeft het gemeentebestuur van 's-Gravenhage zich gebaseerd op de zogenoemde lichte TNO norm, waarbij wordt uitgegaan van minimaal 2 bezonningsuren per dag in de periode tussen 19 februari en 21 oktober.

   Bij de beoordeling van de daglichttoetreding hanteert het gemeentebestuur van 's-Gravenhage de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen normen.

   Ten behoeve van het plan zijn door "DGMR raadgevend ingenieurs B.V." twee bezonningsonderzoeken uitgevoerd waarvan de resultaten zijn neergelegd in de rapporten van respectievelijk 2 februari 2001 en 22 april 2003. In het rapport van 2 februari 2001 wordt vermeld dat op één waarneempunt niet wordt voldaan aan de door het gemeentebestuur gehanteerde lichte norm. In het rapport van 22 april 2003, waarbij tevens de achterzijde van de woning op het desbetreffende meetpunt is beoordeeld, wordt vermeld dat ook op dit punt wordt voldaan aan de lichte TNO norm.

   Ten behoeve van het plan zijn door "DGMR raadgevend ingenieurs B.V." twee daglichtonderzoeken uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de rapporten van respectievelijk 2 februari 2001 en 15 oktober 2003. In het onderzoek van 2 februari 2001 is vermeld dat het daglichtniveau ter plaatse van de studentenwoningen in het gebouw "De Struijck" na realisering van de woontoren niet zal voldoen aan het in het Bouwbesluit beoogde daglichtniveau. In het rapport van 15 oktober 2003, waarbij is uitgegaan van de nieuwste bouwplannen voor de woontoren, is vermeld dat wordt voldaan aan de in het Bouwbesluit gehanteerde norm voor daglichttoetreding.

2.12.1.2.    Ten behoeve van het plan zijn door "DGMR raadgevend ingenieurs B.V." twee onderzoeken verricht naar windhinder in het plangebied, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 9 februari 2001, kenmerk M.99.1024.D en een rapport van 24 juni 2002, kenmerk M.99.1024.E.

   In beide rapporten is vermeld dat in het plangebied windhinder zal optreden en op één of meer punten windgevaar indien geen mitigerende maatregelen worden getroffen. In beide rapporten wordt vermeld dat met toepassing van mitigerende maatregelen het windgevaar weggenomen kan worden.

2.12.1.3.    In de plantoelichting is het volgende vermeld.

   Voor de woontoren zijn 118 parkeerplaatsen nodig die niet op de locatie kunnen worden gerealiseerd. In de Laakhavengarage zullen ongeveer 120 parkeerplaatsen worden gereserveerd voor de woontoren. Vestia en Q-park (de exploitant van de Laakhavengarage) hebben over deze parkeerplaatsen overeenstemming bereikt. Bewoners van de woontoren kunnen bij Q-park een verzoek indienen voor een parkeerplaats in de Laakhavengarage. Zij komen dan in aanmerking voor één van de gereserveerde plaatsen die zij kunnen huren. Bewoners van de woontoren komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning op de openbare straat. Bezoekers kunnen op straat parkeren of in de Laakhavengarage. In de uitbreiding van het Sigma-gebouw zullen parkeerplaatsen voor de woontoren van Vestia worden opgenomen, alsmede een stallingsmogelijkheid voor fietsen, aldus de plantoelichting.

2.12.1.4.    De Laakhavengarage is een abonnementengarage met 1.400 plaatsen. Er zijn dagelijks ongeveer 500 plaatsen voor incidentele parkeerders beschikbaar. Incidentele parkeerders kunnen inrijden op werkdagen van 7:00 tot 23:30 uur. Uitrijden kan op alle dagen gedurende de gehele dag. Abonnementhouders kunnen altijd in- en uitrijden.

   In het Schipperskwartier wordt geparkeerd bij parkeermeters, waarvoor tot 22:00 uur moet worden betaald. In het weekend is parkeren gratis. Bewoners van het Schipperskwartier kunnen een parkeervergunning aanvragen maar niet met een gegarandeerde plaats.

   In de Stationsbuurt gelden verschillende parkeerregimes waarbij in het algemeen in het weekend gratis kan worden geparkeerd.

   Het gebouw "De Ellips" heeft een eigen parkeergarage.

2.12.1.5.    In een door het gemeentebestuur aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening verstrekte berekening is vermeld dat ten behoeve van de woontoren 144 parkeerplaatsen nodig zijn.

   Bij brief van 10 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage het "Rapport Parkeren" van 7 april 2006 (hierna: het rapport parkeren) overgelegd. In dit rapport wordt onder meer een nadere onderbouwing gegeven van het in de plantoelichting vermelde aantal benodigde parkeerplaatsen ten behoeve van de woontoren en de in de omgeving van het plan beschikbare parkeercapaciteit. Daarin is onder meer vermeld dat uit onderzoek onder studenten in gebouw "De Struijck" is gebleken dat, anders dan in het door de gemeente gehanteerde parkeerbeleid bij de beoordeling van het benodigde aantal parkeerplaatsen voor studenten niet moet worden uitgegaan van 1 parkeerplaats per 4 studenten, maar van 1 parkeerplaats per 6 studenten. Dit leidt er volgens dit rapport toe dat niet 144 parkeerplaatsen nodig zijn maar 118.

   Uit het rapport parkeren blijkt voorts dat in de Laakhavengarage en de omgeving van het plangebied voldoende capaciteit bestaat om in de parkeerbehoefte van bewoners en bezoekers van de woontoren te voorzien.

   Bij dezelfde brief is tevens een verklaring overgelegd van de regiomanager van Q-park, de beheerder van de Laakhavengarage. Hierin is onder meer vermeld dat de gemiddelde bezettingsgraad per etmaal in het jaar 2005 in de Laakhavengarage 37% bedroeg. De bezettingsgraad overdag bedroeg in dat jaar 60%, terwijl de bezettingsgraad gedurende de avond en de nachtelijke uren ongeveer 17% bedroeg.

2.12.1.6.    In artikel 5, tweede lid, gelezen in samenhang met het eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat op de gronden met de bestemming "Kantoren" al dan niet gebouwde parkeervoorzieningen met bijbehorende verkeers- en groenvoorzieningen alsmede een laad- en losvoorziening en een stallingsruimte voor fietsen (mede) ten dienste van de bestemming "Gemengde doelen en Wonen" zijn toegelaten.

2.12.1.7.    Vast staat dat het Sigma-gebouw, dat op de gronden met de bestemming "Kantoren" staat, door Vestia is aangekocht.

2.12.1.8.    In artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat op de gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden en wonen" op de begane grond en de eerste tot en met de derde verdieping, alsmede de negenendertigste tot en met tweeënveertigste verdieping horeca-inrichtingen van de categorieën I, II en III zijn toegestaan tot een maximum van in totaal 1.100 m2.

2.12.1.9.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad voor een bepaald gedeelte of voor bepaalde gedeelten van het gemeentelijk grondgebied die daarvoor naar zijn mening in aanmerking komen een leefmilieuverordening vaststellen.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van deze wet strekt een leefmilieuverordening tot wering van dreigende en tot stuiting van reeds ingetreden achteruitgang van de woon- en werkomstandigheden in en het uiterlijk aanzien van het bij die verordening aangewezen gebied of de daarbij aangewezen gebieden.

2.12.1.10.    Bij besluit van 3 november 2004, verzonden op 22 november 2004 heeft het college van gedeputeerde staten op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage, voor zover thans van belang, met toepassing van artikel 8 van het Besluit geluidhinder spoorwegen, hogere waarden voor de geluidbelasting vanwege spoorwegverkeer vastgesteld voor onder meer de woningen in de woontoren. Voor de woningen aan de zuidgevel is een hogere grenswaarde vastgesteld van maximaal 67 dB(A), voor woningen aan de westgevel van maximaal 58 dB(A) en voor woningen aan de noord-oostgevel van maximaal 63 dB(A) voor het spoorwegverkeerslawaai afkomstig van de Spoorlijn Den Haag HS-Leiden. Dit besluit is onherroepelijk.

2.12.1.11.    Door "DGMR raadgevende ingenieurs B.V." is ten behoeve van het plan een akoestisch rapport gedateerd 20 januari 2004 opgesteld (hierna: het akoestisch rapport).

   In dit rapport is vermeld dat de maximale geluidbelasting ten gevolge van het spoorwegverkeerslawaai op de zuidgevel 67 dB(A), op de westgevel 58 dB(A) en op de oostgevel 63 dB(A) bedraagt.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.2.    Wat betreft de bezwaren van appellanten inzake de schaduwwerking overweegt de Afdeling dat niet kan worden ontkend dat het plan met name in de gebouwen "De Struijck" en "De Ellips" leidt tot een aanzienlijke afname van de bezonning en daglichttoetreding. Uit de door "DGMR raadgevend ingenieurs" ten behoeve van het plan opgestelde onderzoeken van 22 april 2003 en 15 oktober 2003 blijkt evenwel dat in beide gebouwen wat betreft bezonning wordt voldaan aan de lichte TNO norm en dat wat betreft daglichttoetreding wordt voldaan aan de daartoe in het Bouwbesluit 2003 gestelde normen. In hetgeen appellanten hebben gesteld bestaat geen grond voor het oordeel dat deze rapporten onjuistheden bevatten dan wel leemten in kennis vertonen.

2.12.2.1.    Wat betreft de bezwaren van appellanten inzake windhinder overweegt de Afdeling dat gelet op de beide windhinderonderzoeken met maatregelen kan worden voorkomen dat windgevaar ontstaat. Het plan maakt het treffen van maatregelen ter voorkoming van windgevaar mogelijk. Daarmee is in voldoende mate aan dit gevaar tegemoet gekomen.

2.12.2.2.    Voor zover appellanten hebben aangevoerd te vrezen voor parkeeroverlast overweegt de Afdeling dat in het door het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage overgelegde "Rapport Parkeren" een nadere toelichting is gegeven op het aantal benodigde parkeerplaatsen waarvan in de plantoelichting is uitgegaan. Voorts blijkt hieruit, alsmede uit de door het college van burgemeester en wethouders overgelegde verklaring van Q-park dat in de Laakhavengarage en de omgeving van het plangebied voldoende capaciteit bestaat om in de parkeerbehoefte van bewoners en bezoekers van de woontoren te voorzien. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat dit rapport onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont, zodat van de juistheid hiervan kan worden uitgegaan. De verklaring van Q-park staat evenmin ter discussie.

   Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor parkeeroverlast ten gevolge van het plan.

2.12.2.3.    Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat gevreesd moet worden voor verkeersonveilige situaties omdat onvoldoende is voorzien in een voorziening om te laden en te lossen ten behoeve van de woontoren, overweegt de Afdeling dat artikel 5, tweede lid, gelezen in samenhang met het eerste lid, van de planvoorschriften een dergelijke voorziening mogelijk maakt op de gronden met de bestemming "Kantoren". In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat die voorziening binnen de planperiode niet kan worden gerealiseerd. Voor zover appellanten in dit verband hebben aangevoerd dat in tegenstelling tot eerdere in het voorontwerp ontwikkelde plannen in dit plan de uitbreiding van het Sigma gebouw niet mogelijk wordt gemaakt, overweegt de Afdeling dat dit, nu in voormeld planvoorschrift het realiseren van een laad- en losplaats is toegestaan, niet in de weg staat aan het realiseren van de voorziening ten behoeve van het laden en lossen.

   Voor zover appellanten sub 2 in dit verband hebben aangevoerd dat bij calamiteiten op de locatie waarop het plan ziet geen ruimte beschikbaar is voor de opvang van mensen en het plan evenmin voorziet in een ruimte voor hulpverleners om hun voertuigen te parkeren overweegt de Afdeling dat appellanten die stelling niet met feiten en omstandigheden aannemelijk hebben gemaakt.

   Wat betreft het verkeer vanuit de Hofwijckstraat richting de Rijswijkseweg overweegt de Afdeling dat appellanten sub 2 niet aannemelijk hebben gemaakt dat de situatie op de hoek van de genoemde straten ten gevolge van de met het plan mogelijk gemaakte woontoren zodanig onoverzichtelijk wordt dat hierdoor een verkeersonveilige situatie ontstaat.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor het bevorderen van verkeersonveilige situaties door dit plan.

2.12.2.4.    Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat in strijd met de leefmilieuverordening horeca binnen het plangebied mogelijk wordt gemaakt, overweegt de Afdeling dat uit doel en strekking van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, in het bijzonder artikel 9, volgt dat indien voor het gebied waarvoor een leefmilieuverordening is vastgesteld, deze komt te vervallen indien voor dat gebied een nieuw bestemmingsplan in werking treedt. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, slechts een deel van het gebied waarvoor de leefmilieuverordening van kracht is een bestemmingsplan in werking treedt, vervalt de werking van de leefmilieuverordening in zoverre. De leefmilieuverordening kan derhalve niet aan de verwezenlijking van de bestemming in het onderhavige plan door de vestiging van horeca in de weg staan.

2.12.2.5.    Voor zover appellanten sub 2 aanvoeren dat de bij besluit van 3 november 2004 door verweerder vastgestelde grenswaarden voor geluidbelasting vanwege spoorwegverkeer te hoog zijn, overweegt de Afdeling dat dit besluit onherroepelijk is en niet in deze procedure aan de orde kan komen. Derhalve dient te worden onderzocht of aan de aldus gestelde grenswaarden kan worden voldaan. Uit het door "DGMR raadgevende ingenieurs B.V." opgestelde akoestisch rapport blijkt dat ter hoogte van de gevels van de torenflat wordt voldaan aan de in voormeld besluit genoemde grenswaarden. In hetgeen appellanten sub 2 hebben aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat dit rapport onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont.

Luchtkwaliteit

Het standpunt van appellanten

2.13.    Appellanten hebben aangevoerd dat het plan in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit.

Vaststelling van de feiten

2.13.1.    Op 5 augustus 2005 is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) in werking getreden. Uit artikel 37 van het Blk 2005 volgt dat het Blk 2005 op dit geding van toepassing is.

2.13.1.1.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid, mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

2.13.1.2.    Ingevolge artikel 20, van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.13.1.3.    Ten behoeve van het plan is door "DGMR raadgevend ingenieurs B.V." onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit die in de toekomst is te verwachten in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 januari 2004 (hierna: het luchtkwaliteitrapport).

   In het luchtkwaliteitrapport is vermeld dat de berekende concentraties stikstofdioxide in de lucht ten gevolge van het wegverkeer nergens binnen het plangebied de jaargemiddelde grenswaarden overschrijden. Voorts is in het rapport vermeld dat de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) meer dan de toegestane 35 keer per kalenderjaar wordt overschreden.

   In de plantoelichting is vermeld dat, nu de grenswaarden voor stikstofdioxide niet worden overschreden, ervan uitgegaan kan worden dat ook de concentraties benzeen, koolmonoxide en zwaveldioxide aan de voor die stoffen geldende grenswaarden kunnen voldoen.

2.13.1.4.    In het deskundigenbericht is vermeld dat wat betreft de concentratie zwevende deeltjes geen duidelijk inzicht is verschaft in de te verwachten verkeersaantrekkende werking van de woontoren in relatie tot de al aanwezige verkeersstroom op en rond het Rijswijkseplein. Vanwege het ontbreken van inzicht in de verkeersgegevens en de emissies is niet te beoordelen wat de bijdrage van het plan zal zijn aan de concentratie zwevende deeltjes (PM10), aldus het deskundigenbericht.

2.13.1.5.    Bij brief van 10 april 2006 heeft de gemeenteraad van 's-Gravenhage een nieuw onderzoeksrapport naar de luchtkwaliteit in het plangebied overgelegd. In dit rapport zijn berekeningen opgenomen van de concentraties van alle in het Blk 2005 genoemde stoffen. Daarbij is gerekend met en zonder de bijkomende extra verkeersbewegingen als gevolg van het plan, zoals vermeld in het rapport "Verkeersgegevens Woontoren Rijswijkseplein" van 5 april 2006 (hierna: het rapport verkeersgegevens). Volgens deze berekeningen wordt geen van de in het Blk 2005 opgenomen grenswaarden overschreden.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.2.    In het luchtkwaliteitsrapport van "DGMR raadgevend ingenieurs" van 20 januari 2004 is vermeld dat de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) meer dan 35 keer per kalenderjaar wordt overschreden. Hieruit volgt, daargelaten de concentraties van de andere in artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 genoemde stoffen, dat deze grenswaarde bij een besluit tot goedkeuring van het plan niet overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 in acht genomen wordt of kan worden. Goedkeuring van het plan kan dan ook slechts in overeenstemming zijn met het Blk 2005 indien zich één van de in artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 opgenomen uitzonderingen op het eerste lid voordoet.

   Geen toepassing is gegeven aan de zogenoemde saldomethode als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder b, van het Blk 2005.

   Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de bijdrage van het plan aan de concentratie zwevende deeltjes (PM10) nihil zal zijn overweegt de Afdeling dat voormeld luchtkwaliteitsrapport uitsluitend ziet op de luchtkwaliteit in de autonome situatie. In het rapport is geen informatie opgenomen inzake de invloed van het plan op de luchtkwaliteit. Nu verweerder zich bij het nemen van het besluit omtrent goedkeuring heeft gebaseerd op dit onderzoek, stelt de Afdeling vast dat verweerder bij het nemen van zijn besluit niet beschikte over toereikende en deugdelijke onderzoeksresultaten ten aanzien van de invloed van het plan op de luchtkwaliteit.

   Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

Eindconclusie

2.14.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.13.2 is overwogen zijn de beroepen gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

   De Afdeling overweegt voorts het volgende. Na het bestreden besluit is het in 2.13.1.5 genoemde rapport overgelegd. Dit rapport toont aan dat voor geen van de in het Blk 2005 genoemde stoffen de daarin genoemde grenswaarden worden overschreden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat dit rapport onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont. Gelet hierop staat het Blk 2005 niet aan goedkeuring van het plan in de weg.

   Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding om, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.4 tot en met 2.13.2, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelfvoorziend goedkeuring te verlenen aan het plan.

Proceskostenveroordeling

2.15.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellante sub 1 te worden veroordeeld. Van proceskosten van appellanten sub 2 die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 5 juli 2005, DRM/ARB/04/13256A;

III.    verleent goedkeuring aan het plan;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan appellante sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor appellante sub 1 en € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor appellanten sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Taal

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

325.