Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5053

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200507928/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd aan appellanten sub 2 vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het vergroten van het bedrijfspand op het perceel [locatie] te Laren, kadastraal bekend gemeente Laren, sectie […], nr. […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507928/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Laren,

2.    [appellanten sub 2], gevestigd te Laren,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04/1600 van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2005 in het geding tussen:

appellanten sub 2

en

het college van burgemeester en wethouders van Laren.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) geweigerd aan appellanten sub 2 vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het vergroten van het bedrijfspand op het perceel [locatie] te Laren, kadastraal bekend gemeente Laren, sectie […], nr. […].

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college het daartegen door appellanten sub 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juli 2005, verzonden op 1 augustus 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten sub 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 1 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2005, en appellanten sub 2 bij brief van 9 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 10 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 november 2005 hebben appellanten sub 2 van antwoord gediend.

Bij brief van 11 november 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 3 januari 2006 hebben appellanten sub 2 een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2006, waar het college, vertegenwoordigd door C.C.W. van Rooijen, ambtenaar bij de gemeente, en mr. S.W. Knoop, advocaat te Zutphen, en appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het uitbreiden van het garagebedrijf van appellanten sub 2 door middel van het uitbouwen van de werkplaats aan de achterzijde van het bedrijfspand.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorpskern" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien deels de bestemming "Bedrijven (III)" met de nadere aanduiding "(gar)" en deels de bestemming "Erf (E)". Ingevolge artikel 1, onder 6, van de planvoorschriften wordt onder bouwperceel verstaan een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan bij elkaar horende bebouwing toelaatbaar is, inclusief de eventuele daarop aangegeven bestemming tuin en erf. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Bedrijven (B)" aangegeven gronden bestemd voor bedrijven.                                    Ingevolge artikel 12, derde lid, onder b, van de planvoorschriften mogen garagebedrijven uitsluitend worden gevestigd op gronden met de nadere aanduiding "(gar)". Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Erf (E)" aangegeven gronden bestemd voor erf bij gebouwen op hetzelfde bouwperceel of perceel waartoe zij blijkens hun situering behoren. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de planvoorschriften zijn op deze gronden in verband met de in lid 1 bedoelde bestemming toelaatbaar: a. uitbouwen van gebouwen;                                               b. bijgebouwen, zoals praktijkruimten, autoboxen en bergplaatsen;             c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;                                                 d. parkeergelegenheid en tuinen;                                                            e. voetpaden.

Het hoger beroep van appellanten sub 2

2.3.    Appellanten sub 2 betogen dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door te overwegen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan aangezien garagebedrijven, gelet op artikel 12, derde lid, onder b, van de planvoorschriften, uitsluitend zijn toegestaan op gronden met de bestemming "Bedrijven (III)" met de nadere aanduiding "(gar)". Zij voeren hiertoe aan dat slechts in geschil is of de gronden waarop het bouwplan is voorzien één bouwperceel vormen of niet.

2.3.1.     Dit betoog faalt. Appellanten sub 2 hebben in beroep betoogd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een van rechtswege verleende bouwvergunning. Derhalve diende de rechtbank, gelet op artikel 46, derde lid, van de Woningwet, in samenhang gelezen met het vierde lid van dat artikel, te beoordelen of voor het bouwplan alleen bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend met toepassing van artikel 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Daartoe diende de rechtbank het bouwplan aan het bestemmingsplan te toetsen. Beantwoording van de door appellanten sub 2 aan de orde gestelde vraag of van rechtswege een bouwvergunning is verleend, is derhalve onlosmakelijk verbonden met de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

2.4.    Appellanten sub 2 betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voeren daartoe aan dat weliswaar op grond van artikel 12, derde lid, onder b, van de planvoorschriften op gronden met de bestemming "Bedrijven (III)" met de nadere aanduiding "(gar)" een garagebedrijf mag worden gevestigd, maar dat daaruit niet volgt dat tot het bouwperceel behorende gronden met de bestemming "Erf" niet ook voor het garagebedrijf mogen worden gebruikt. Daartoe achten zij van belang dat in artikel 17, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften niet is bepaald dat uitsluitend gronden met de bestemming "Erf" met de nadere aanduiding "(gar)" mogen worden bebouwd en gebruikt voor een garagebedrijf.

2.4.1.    Ingevolge artikel 1, onder 6, van de planvoorschriften wordt onder bouwperceel verstaan een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan bij elkaar horende bebouwing toelaatbaar is, inclusief de eventuele daarop aangegeven bestemming tuin en erf. Op de bestemmingsplankaart is ter plaatse van de gronden waarop het bouwplan is voorzien een aaneengesloten stuk grond weergegeven met de bestemming "Erf", dat zowel grenst aan de woning van appellanten sub 2 als aan hun garagebedrijf. De plankaart geeft aldus geen uitsluitsel bij welke bebouwing de bestemming "Erf" behoort. Gelet op artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften is de Afdeling daarom met appellanten sub 2 van oordeel dat de gronden waarop het bouwplan is voorzien, mede kunnen worden aangemerkt als erf behorend bij het garagebedrijf.

2.4.2.     Het garagebedrijf van appellanten sub 2 is gevestigd op gronden met de bestemming "Bedrijven (III)" met de nadere aanduiding "(gar)". Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat ingevolge artikel 17, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften op de bij het garagebedrijf behorende gronden met de bestemming "Erf" een uitbouw van het garagebedrijf mag worden gerealiseerd. Nu in de planvoorschriften geen begripsomschrijving van de term uitbouw is opgenomen, dient voor de uitleg van die term te worden aangesloten bij de in de jurisprudentie terzake ontwikkelde criteria. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer bij uitspraak van 21 maart 1996, zaak no. H01.95.0365 (Gst. 1997, 7055, 5), onderscheidt een uitbouw zich van het hoofdgebouw waartoe hij behoort doordat hij uit architectonisch oogpunt herkenbaar is als een afzonderlijke en duidelijk ondergeschikte aanvulling op dat hoofdgebouw, waarmee hij in functioneel opzicht verbonden is. Uit de bouwaanvraag en de bijbehorende bouwtekening kan niet worden afgeleid dat in dit geval sprake is van een uitbouw. In de bouwaanvraag staat vermeld dat het gaat om het vergroten van een bedrijfspand, in die zin dat de werkplaats van het bedrijfspand aan de achterzijde wordt uitgebreid. Ook op de bouwtekening staat vermeld dat het gaat om het uitbreiden van het bedrijfspand [locatie]. De Afdeling is daarom van oordeel dat het bouwplan niet voorziet in een uitbouw, maar in een uitbreiding van het hoofdgebouw. Het bouwplan is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Van een van rechtswege verleende bouwvergunning, zoals appellanten sub 2 stellen, is gelet op het voorgaande geen sprake.

2.5.    Het hoger beroep van appellanten sub 2 is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het hoger beroep van het college

2.7.    Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellanten sub 2 tegen het besluit van 2 maart 2004 ongegrond verklaard. Nu gezien het vorenstaande ook het hoger beroep van appellanten sub 2 ongegrond is verklaard, heeft het college geen processueel belang bij een antwoord op de vraag of de rechtbank op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Dat antwoord, hoe het ook luidt, kan immers voor het college niet leiden tot een ander resultaat. Het hoger beroep van het college is daarom niet-ontvankelijk.

2.8.    De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van het college niet-ontvankelijk;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

218-494.