Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200506122/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2004 heeft de gemeenteraad van Den Haag, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 september 2004, het bestemmingsplan "Spuimarkt e.o." vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506122/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Vereniging "De Kern GeWond" (verder: de Kern GeWond), gevestigd te Den Haag,

2.    de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "IEF Berlage I B.V.", "IEF Berlage III B.V." en "IEF Berlage V B.V.", rechtsopvolgers van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "Hema Vastgoed B.V", "Bijenkorf Vastgoed B.V." respectievelijk "Vroom en Dreesmann B.V." (verder: IEF Berlage I en andere), gevestigd te Amsterdam,

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    de gemeenteraad van Den Haag (hierna: de gemeenteraad),

5.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "ING Vastgoed Ontwikkeling B.V." en andere (verder: ING Vastgoed Ontwikkeling en andere), gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2004 heeft de gemeenteraad van Den Haag, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 september 2004, het bestemmingsplan "Spuimarkt e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 juni 2005, kenmerk DRM/ARB/04/11777A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 13 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, appellanten sub 2 bij faxbericht van 25 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, appellanten sub 3 bij brief van 10 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, appellant sub 4 bij brief van 10 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en appellanten sub 5 bij faxbericht van 9 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brieven van 13 januari 2006 en 25 januari 2006. Appellanten sub 5 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 6 september 2005.

Bij brief van 23 december 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 januari 2006 (verder: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek heeft de gemeenteraad bij brief van 4 mei 2006 nadere stukken ingediend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2006, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [ondervoorzitter], appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door[gemachtigde], appellant sub 4, vertegenwoordigd door W. Kelders, en bijgestaan door mr. J.H. Potter en ing. E. Been, allen ambtenaar van de gemeente, appellanten sub 5, vertegenwoordigd door A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. N.A.M. op de Laak, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door W. Kelders en bijgestaan door mr. J.H. Potter en ing. E. Been, allen ambtenaar van de gemeente.

Ter zitting heeft de Afdeling de gemeenteraad verzocht nadere stukken in te dienen. Bij brief van 24 mei 2006 heeft de gemeenteraad aan dit verzoek gehoor gegeven. De door de gemeenteraad ingebrachte stukken zijn aan de overige partijen toegezonden. Tevens zijn zij in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan heeft betrekking op een deel van de Haagse binnenstad. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Spuistraat, het Spui, de Amsterdamse Veerkade en de Wagenstraat. Ook maakt het traject Kalvermarkt-Grote Marktstraat-Prinsegracht onderdeel uit van het plangebied.

Onthouding van goedkeuring

Aanbouw aan het gebouw van de Hema

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het op de plankaart rood omlijnde gedeelte van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)" dat betrekking heeft op de aanbouwmogelijkheden aan het pand van de Hema niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft in zoverre aan het plan goedkeuring onthouden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitvoerbaarheid van het plandeel twijfelachtig is. Verweerder acht de door het gemeentebestuur gestelde belangen bij de versmalling van de Voldersgracht onvoldoende gemotiveerd en is voorts van mening dat de belangen van de Hema aan een aanbouwmogelijkheid in de weg staan.

Het standpunt van de gemeenteraad en ING Vastgoed Ontwikkeling en andere

2.5.    De gemeenteraad en ING Vastgoed Ontwikkeling en andere stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het gedeelte van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)" dat betrekking heeft op de aanbouwmogelijkheden aan het pand van de Hema. Volgens de gemeenteraad is de keuze voor de versmalling van de Voldersgracht een weloverwogen keuze. Volgens appellanten is het plan op dit punt voorts uitvoerbaar.

De vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    In de uitspraak op het schorsingsverzoek in deze zaak is overwogen dat ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)", voor zover betrekking hebbend op de aanbouwmogelijkheden aan het pand van Hema aan de Voldersgracht, op de in het dossier aanwezige plankaart een rode omlijning ontbreekt.

Bij het deskundigenbericht is een gewaarmerkte plankaart gevoegd waarop een rode omlijning aanwezig is.

2.6.2.    Het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)" is thans deels bebouwd met de gebouwen van de Bijenkorf en de Hema. Een gedeelte van het plandeel, grenzend aan het gebouw van de Hema aan de zijde van de Voldersgracht, is thans onbebouwd. Deze gronden maken thans deel uit van de Voldersgracht.

2.6.3.    Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)" onder meer bestemd voor detailhandel en wonen. Ten behoeve van het toegestane gebruik zijn op deze gronden onder meer toegelaten hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven en ontsluitingswegen.

2.6.4.    In de plantoelichting staat dat de ingrepen in het publieke domein zijn bedoeld om de ruimtelijke en functionele samenhang in het gebied te vergroten. De omgeving van de Bezemstraat en de Gedempte Gracht wordt meer bij het centrum betrokken. Daarnaast wordt de verblijfskwaliteit van het publieke domein verhoogd. Door de verschillende ruimtelijke ingrepen zal er via de Voldersgracht ook een aantrekkelijker loopcircuit ontstaan met het gebied rond het Rabbijn Maarsenplein. In het plan gaat de Grote Marktstraat een centrale rol spelen, aldus de plantoelichting. Het zal één van de hoofdwinkelstraten worden van het Haagse kernwinkelapparaat. Om de Voldersgracht een aantrekkelijker winkelklimaat te geven zal de rooilijn aan beide zijden naar voren worden geschoven, waardoor een smallere winkelstraat met een helder gevelbeeld ontstaat in plaats van de thans wat onbestemde ruimte.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Ter zitting hebben verweerder en de gemeenteraad medegedeeld, hetgeen door appellanten niet is betwist, dat de bij het deskundigenbericht gevoegde gewaarmerkte plankaart de plankaart is die door verweerder aan de gemeenteraad is toegezonden en die bij het besluit van verweerder omtrent de goedkeuring van het plan ter inzage heeft gelegen. De Afdeling stelt dan ook vast dat de rode omlijning, waarnaar in het dictum van het bestreden besluit wordt verwezen, op de bij het bestreden besluit behorende plankaart aanwezig is.

2.8.    Ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)" op de gronden naast het gebouw van de Hema aan de Voldersgracht overweegt de Afdeling dat deze bestemming niet enkel de mogelijkheid biedt te bouwen, maar dat ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften ook tuinen, erven en ontsluitingswegen zijn toegestaan. Uit het huidige feitelijke gebruik van de gronden volgt reeds dat de bestemming uitvoerbaar is. Gelet hierop heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet uitvoerbaar is.

2.8.1.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt met het opnemen van een aanbouwmogelijkheid aan de Hema aan de zijde van de Voldersgracht beoogd een aantrekkelijker winkelklimaat ter plaatse te creëren. De Afdeling acht deze doelstelling niet onredelijk.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de gemeenteraad ten aanzien van de aanbouwmogelijkheid aan de Hema een belangenafweging gemaakt waarbij het belang van de Hema bij de zichtbaarheid en herkenbaarheid van de winkel is afgewogen tegen het belang bij de versmalling van de Voldersgracht. De gemeenteraad heeft het belang van het vergroten van de aantrekkelijkheid van het loopgebied door de versmalling van de Voldersgracht en de mogelijkheid van de bouw van nieuwe kleinschalige winkelruimten zwaarwegender geacht dan het belang van de Hema dat ermee is gediend dat ter plaatse niet kan worden aangebouwd. De gemeenteraad heeft daarbij mede betrokken dat de versmalling van de Voldersgracht bijdraagt aan het herstel van het historisch stratenpatroon.

   Blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting kent verweerder een groot gewicht toe aan het belang van de zichtbaarheid en herkenbaarheid van de Hema, zodanig dat de gevolgen van het plan voor dit belang zwaarder wegen dan het belang dat gediend is met de versmalling van de Voldersgracht door het creëren van een aanbouw aan de Hema.

   De Afdeling acht door verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de door de gemeenteraad uitgevoerde belangenafweging onevenredig is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat verweerder zijn stelling dat de belangen van de Hema ernstig worden aangetast door de in het plan opgenomen aanbouwmogelijkheid niet nader heeft onderbouwd met argumenten, en dat in dit verband ter zitting is gebleken dat de door de gemeenteraad gewenste aanbouwmogelijkheid ziet op de zijkant van de Hema-vestiging en dat de herkenbaarheid en zichtbaarheid van de voorgevel aan de Grote Marktstraat, waar zich de hoofdentree bevindt, niet wordt aangetast.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het bovengenoemde gedeelte van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)" niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van de gemeenteraad en ING Vastgoed Ontwikkeling en andere zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Parkeervoorzieningen

Het standpunt van verweerder

2.9.    Verweerder heeft de zinsnede "parkeren en overige voorzieningen" in artikel 6, eerste lid, alsmede artikel 6, tweede lid, onder f., derde lid, onder d., en vierde lid, onder B, van de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening en het recht geacht en heeft in zoverre aan het plan goedkeuring onthouden. Verweerder is van mening dat nut en noodzaak van nieuwe parkeervoorzieningen onvoldoende zijn gemotiveerd en twijfelt aan de juistheid en actualiteit van de cijfers in de parkeerbalans. Volgens verweerder is met name de relatie van de parkeerbehoefte in het plangebied met de parkeermogelijkheden buiten het plangebied niet in de parkeerbalans betrokken. De bouw van extra parkeervoorzieningen leidt volgens verweerder voorts tot een verslechtering van de luchtkwaliteit in het plangebied.

Het standpunt van de gemeenteraad en ING Vastgoed Ontwikkeling en andere

2.10.    De gemeenteraad en ING Vastgoed Onwikkeling en andere stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de zinsnede "parkeren en overige voorzieningen" in artikel 6, eerste lid, alsmede aan artikel 6, tweede lid, derde lid, onder d en vierde lid, onder B, van de planvoorschriften.

   Zij stellen daartoe dat nut en noodzaak van de voorziene parkeergelegenheid voldoende zijn aangetoond en dat de cijfers in de gehanteerde parkeerbalans actueel zijn. Het opnemen van extra parkeervoorzieningen brengt volgens appellanten voorts geen verslechtering van de luchtkwaliteit mee.

   Verder leidt de onthouding van goedkeuring tot een tekort aan parkeerplaatsen, aldus appellanten. ING Vastgoed Ontwikkeling en andere stellen dat de onthouding van goedkeuring te ruim is, onder meer omdat deze tot gevolg heeft dat de bestaande parkeervoorzieningen geen bestemming overeenkomstig het feitelijke gebruik krijgen.

De vaststelling van de feiten

2.11.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.1.    Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden (CD)" onder meer bestemd voor parkeren en overige bijbehorende voorzieningen. Ingevolge het tweede lid, onder f., van dit artikel zijn ten behoeve van het in het eerste lid toegestane gebruik onder meer toegelaten gebouwde parkeervoorzieningen met bijbehorende verkeersvoorzieningen. Ingevolge het derde lid, onder d., van dit artikel dienen parkeervoorzieningen ondergronds te worden gebouwd in maximaal 2 lagen en dienen zij te voldoen aan de parkeerbalans zoals beschreven in paragraaf 3.6 van de toelichting. Ingevolge het vierde lid, onder B, van het artikel zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het derde lid onder d. wat betreft het realiseren van een bovengrondse parkeervoorziening binnen de bestemmingsvlakken "CDI" en "CDIII", een en ander met dien verstande, dat:

a. het verlenen van vrijstelling geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en gebouwen tot gevolg mag hebben;

b. aannemelijk gemaakt wordt dat het bovengronds realiseren, rekening houdend met de uitgangspunten van dit bestemmingsplan zoals onder andere beschreven in artikel 4, de voorkeur heeft boven een ondergrondse parkeervoorziening;

c. een bovengrondse parkeervoorziening een hoogte dient te hebben van tenminste 3 meter vanaf peil en niet zichtbaar mag zijn vanaf de openbare weg.

2.11.2.    In paragraaf 3.6 van de plantoelichting is een parkeerbalans voor het bestemmingsplan Spuimarkt opgenomen. Volgens de plantoelichting brengt de extra commerciële ruimte in het plan een extra parkeerbehoefte van 189 parkeerplaatsen mee en de megabioscoop een behoefte van 89 plaatsen. Ook de bouw van nieuwe woningen schept behoefte aan parkeerplaatsen; het gaat om 190 plaatsen. In totaal is er een extra parkeerbehoefte van 468 plaatsen.

Volgens de plantoelichting verdwijnen in het plangebied 140 parkeerplaatsen ten opzichte van de huidige situatie.

   Het plan beoogt de parkeerplaatsen die verdwijnen te vervangen en bovendien extra parkeerplaatsen te creëren. De 140 plaatsen die verdwijnen worden volgens de plantoelichting gecompenseerd door de beoogde Bijenkorfgarage en een gedeelte van de reeds bestaande parkeervoorziening het Souterrain. De netto toevoeging van het aantal kortparkeerplaatsen in het plangebied bedraagt volgens de plantoelichting 130 parkeerplaatsen terwijl voor de te bouwen woningen en ten behoeve van personeel 226 plaatsen worden gecreëerd (in totaal 356 plaatsen). De overige behoefte (112 plaatsen) kan volgens de plantoelichting in de omgeving van het plangebied worden opgelost.

   In de plantoelichting staat dat bij het opstellen van de parkeerbalans Spuimarkt de parkeerbalans die in 1999 is opgesteld voor de gehele binnenstad als uitgangspunt is genomen. Voorts is bij het opstellen van de parkeerbalans Spuimarkt rekening gehouden met gewijzigde omstandigheden ten aanzien van parkeren buiten het plangebied, aldus de plantoelichting.

2.11.3.    Ingevolge artikel 7 van het Blk 2005 neemt het bevoegd gezag bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit de normen voor luchtkwaliteit in acht.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

2.11.4.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Blk 2005 gelden voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden:

a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

   Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.11.5.    Ten behoeve van de planvaststelling is een onderzoek verricht naar de geluid- en luchtkwaliteitsgevolgen van het plan waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport genaamd "Geluidonderzoek en onderzoek luchtkwaliteit", uitgevoerd door Wolf Dikken Adviseurs en gedateerd 21 november 2003. Volgens dit rapport kan op grond van het uitgevoerde onderzoek worden geconcludeerd dat in 2010 voor alle getoetste wegen een overschrijding van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes plaatsvindt. In het rapport is een tabel met de resultaten van de luchtkwaliteitsberekeningen weergegeven waaruit blijkt dat het toegestane aantal overschrijdingsdagen van 35 van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes op alle straten waarvoor berekeningen zijn uitgevoerd wordt overschreden.

   Voorts vindt op verschillende plaatsen een overschrijding van de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide plaats in het jaar 2010.

Voor alle overige stoffen wordt voldaan aan de grenswaarden en plandrempels voor 2010, aldus het luchtkwaliteitsonderzoek.

2.11.6.    Bij brief van 4 mei 2006 heeft de gemeenteraad ingebracht het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek bestemmingsplan Spuimarkt e.o." (verder: het rapport), uitgevoerd door de Dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag en gedateerd 4 mei 2006. Volgens het rapport maakt het plan ten opzichte van de voorheen geldende bestemmingen woningen en een parkeergarage op het bestaande parkeerterrein van de Bijenkorf mogelijk. Bij de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit zijn berekeningen uitgevoerd voor de Wagenstraat en de Gedempte Gracht, omdat deze straten een verplichte route vormen om de parkeergarage te bereiken. In het rapport wordt geconcludeerd dat de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes na verwezenlijking van het plan ter plaatse van de genoemde straten niet zullen worden overschreden.

2.11.7.    In het plangebied zijn thans verscheidene parkeergarages aanwezig, waarvan enkele liggen binnen de bestemming "Centrumdoeleinden (CD)". Volgens het deskundigenbericht hebben de gronden ter plaatse van de parkeergarage Het Souterrain niet de bestemming "Centrumdoeleinden (CD)", maar is deze parkeergarage gelegen onder gronden met de bestemming "Langzaamverkeersgebied".

Het oordeel van de Afdeling

2.12.    Uit de in de parkeerbalans voor het plangebied opgenomen gegevens volgt dat het plan voorziet in een toevoeging van 356 parkeerplaatsen ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de met deze extra parkeervoorzieningen gepaard gaande verkeersbewegingen is aannemelijk dat het bestemmingsplan op dit punt van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit.

   Zoals in overweging 2.11.5. is weergegeven is in het kader van de planvaststelling onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit. Uit dit onderzoek blijkt dat de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes en de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide na verwezenlijking van het plan op verschillende plaatsen zullen worden overschreden. Hieruit volgt dat ten aanzien van deze grenswaarden niet zal worden voldaan aan artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 en dat moet worden bezien of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder a. of b., van het Blk 2005.

   De toepassing van dit artikelonderdeel brengt mee dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de luchtkwaliteit in de autonome ontwikkeling en de luchtkwaliteit na verwezenlijking van het plan, zodat de invloed van het plan op de luchtkwaliteit kan worden bezien.

Het onderzoek naar de luchtkwaliteit biedt geen inzicht in de autonome luchtkwaliteitssituatie, maar geeft enkel de luchtkwaliteitssituatie na verwezenlijking van het plan weer. Reeds hierom bevat dit onderzoek onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of zich een situatie als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder a. of b., van het Blk 2005 voordoet. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op basis van de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit aanwezige gegevens niet kon worden beoordeeld of het plan, voor zover daarmee extra parkeervoorzieningen worden mogelijk gemaakt, voldoet aan het Blk 2005.

De bevindingen in het rapport van 4 mei 2006 kunnen aan dit oordeel niet afdoen, aangezien verweerder het rapport niet bij zijn besluitvorming heeft kunnen betrekken en de Afdeling het besluit van verweerder ex tunc op rechtmatigheid heeft te toetsen. Verweerder heeft juist in het ontbreken van dergelijk onderzoek op dit punt aanleiding gezien goedkeuring te onthouden.

2.12.1.    Met betrekking tot de parkeerbalans voor het bestemmingsplan overweegt de Afdeling het volgende. Uit de plantoelichting en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de parkeerbalans voor het plangebied is gebaseerd op de Parkeerbalans Binnenstad uit 1999. De in de Parkeerbalans Binnenstad uit 1999 gehanteerde cijfers zijn blijkens de plantoelichting in het kader van de planvaststelling getoetst en voor zover nodig aangepast naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen teneinde de parkeerbehoefte in het plangebied vast te stellen. Gelet hierop volgt uit het gebruik van de Parkeerbalans Binnenstad uit 1999, anders dan verweerder stelt, niet dat de in de parkeerbalans voor het bestemmingsplan opgenomen gegevens niet actueel zijn.

   Wel heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de plantoelichting opgenomen parkeerbalans en de toelichting daarbij geen inzicht bieden in de relatie van de parkeerbehoefte ten gevolge van het plan met de parkeerbehoefte en bestaande parkeervoorzieningen in de nabijheid van het plangebied. Ook is de relatie van de parkeerbehoefte met de in het kader van de stimulering van het gebruik van het openbaar vervoer getroffen maatregelen niet inzichtelijk gemaakt.

2.12.2.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder beoogd goedkeuring te onthouden aan de mogelijkheid extra parkeervoorzieningen te verwezenlijken ten opzichte van de huidige bestaande voorzieningen. De wijze waarop door verweerder goedkeuring is onthouden heeft tot gevolg dat de bestemming "Centrumdoeleinden (CD)" op de plandelen in stand blijft, maar dat de functie ‘parkeren’ op gronden met deze bestemming niet is toegestaan.

   Niet in geding is dat op de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden (CD)" al enkele parkeervoorzieningen aanwezig zijn. De wijze van onthouding van goedkeuring brengt mee dat deze bestaande parkeervoorzieningen niet als zodanig zijn bestemd. Ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad de overwegingen voor onthouding van goedkeuring door verweerder weliswaar bestrijdt, maar dat hij -geconfronteerd met het standpunt van verweerder- in nader overleg heeft ingestemd met de wijze van onthouding van goedkeuring, omdat op deze wijze een zo groot mogelijk gedeelte van het plan in werking kan treden.

   Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting geen bezwaar tegen het leggen van een bestemming overeenkomstig het feitelijk gebruik van de reeds bestaande parkeervoorzieningen. Gelet op het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de WRO, dient de gemeenteraad na onthouding van goedkeuring aan een gedeelte van het plan, met inachtneming van het besluit van verweerder, binnen de in dat artikel genoemde termijn een nieuwe regeling vast te stellen. De gemeenteraad dient daarbij in acht te nemen dat verweerder geen bezwaar heeft tegen het bestemmen overeenkomstig het feitelijk gebruik van de reeds bestaande parkeervoorzieningen op de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden". Wat betreft de periode dat de gemeenteraad nog geen nieuw besluit heeft genomen overweegt de Afdeling dat niet is gebleken van concrete bouw- of uitbreidingsplannen waarvoor de onthouding van goedkeuring een belemmering vormt.

   Uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder het niet op voorhand uitgesloten acht dat voor de gemeenteraad bij de vaststelling van een nieuwe planregeling ter voldoening aan artikel 30, eerste lid, van de WRO, ruimte bestaat voor het mogelijk maken van extra parkeervoorzieningen. Gelet op het voorgaande dient daarbij betrokken te worden dat uit onderzoek naar de luchtkwaliteit dient te blijken dat het Blk 2005 daaraan niet in de weg staat. Voorts dient daarbij inzicht te worden geboden in de relatie van de parkeerbehoefte ten gevolge van het plan met de parkeerbehoefte en bestaande parkeervoorzieningen in de nabijheid van het plangebied en dient de relatie van de parkeerbehoefte met de in het kader van de stimulering van het gebruik van het openbaar vervoer getroffen maatregelen inzichtelijk te worden gemaakt.

2.12.3.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de zinsnede "parkeren en overige voorzieningen" in artikel 6, eerste lid, alsmede artikel 6, tweede lid, onder f., derde lid, onder d., en vierde lid, onder B, van de planvoorschriften in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Voorts heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat deze planonderdelen in strijd zijn met het recht. Hij heeft daaraan echter, gelet op hetgeen is overwogen in 2.12.1., een niet geheel juiste motivering ten grondslag gelegd. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan de bovengenoemde planonderdelen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd. Gelet hierop is ten aanzien van deze planonderdelen rechtens maar één te nemen besluit mogelijk, zodat de Afdeling aanleiding ziet om zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan de zinsnede "parkeren en overige voorzieningen" in artikel 6, eerste lid, alsmede aan artikel 6, tweede lid, onder f., derde lid, onder d., en vierde lid, onder B, van de planvoorschriften.

Goedkeuring

Milieueffectrapportage

Het standpunt van de Kern GeWond

2.13.    De Kern GeWond stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het grootste deel van het plan. Zij stelt daartoe dat ten onrechte geen milieueffectrapport (verder: MER) is opgesteld voor het gehele plan, wat volgens appellante vanwege het recreatieve en toeristische belang van de binnenstad van Den Haag is vereist. In het MER dat is opgesteld ten behoeve van het megabioscoopcomplex is volgens haar voorts gebruik gemaakt van onjuiste verkeersgegevens.

Het standpunt van verweerder

2.14.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de zinsnede "parkeren en overige voorzieningen" in artikel 6, eerste lid, alsmede aan artikel 6, tweede lid, onder f., derde lid, onder d., en vierde lid, onder B, van de planvoorschriften en aan de rood omlijnde delen op de plankaart bij de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)" voor zover betrekking hebbend op de aanbouwmogelijkheden aan het pand van de Hema. Voor het overige heeft verweerder het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hij goedkeuring verleend aan het plan.

   Verweerder stelt zich op het standpunt dat het opstellen van een MER voor het gehele plangebied niet noodzakelijk is.

De vaststelling van de feiten

2.15.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.15.1.    Het plan is hoofdzakelijk conserverend van aard, maar voorziet daarnaast in enkele nieuwe ontwikkelingen. Het gaat daarbij met name om het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden IV (CDIV)" tussen de Grote Marktstraat, het Spui, de Gedempte Gracht en de Voldersgracht, waarop een recreatie-inrichting is voorzien.

2.15.2.    Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals gewijzigd bij Besluit van 7 mei 1999 (verder: het Besluit m.e.r.), en bijlage-onderdeel C onder 10.1, voor zover hier van belang, is de aanleg van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen, waarbij de activiteit betrekking heeft op een voorziening of een combinatie van voorzieningen die 500.000 bezoekers of meer per jaar aantrekt, een oppervlakte beslaat van 50 hectare of meer, of een oppervlakte beslaat van 20 hectare of meer in een gevoelig gebied, aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan het maken van een MER verplicht is.

Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7.8b en 7.8d van de Wet milieubeheer en artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r., en bijlage-onderdeel D, onder 10.1, voor zover hier van belang, is de aanleg, wijziging of uitbreiding van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied, een activiteit, ten aanzien waarvan moet worden bepaald of vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen een MER moet worden gemaakt.

   Ingevolge het Besluit m.e.r. dient een m.e.r.(beoordeling), voor zover hier van belang, te worden opgesteld ten behoeve van de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijk aanleg, wijziging of uitbreiding van de bovengenoemde activiteiten voorziet.

2.15.3.    In de plantoelichting staat dat in het bestemmingsplan activiteiten mogelijk worden gemaakt, waarvan er één zodanig van omvang is dat daarop de m.e.r.(beoordelings)-plicht van toepassing is. Het betreft het voorziene megabioscoopcomplex op het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden IV (CDIV)" met een bezoekersaantal van meer dan 500.000 op jaarbasis, aldus de plantoelichting.

   In het kader van de verlening van vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO en van de bouwvergunning ten behoeve van het megabioscoopcomplex is een MER opgesteld.

Het oordeel van de Afdeling

2.16.    Vast staat dat in het kader van de verlening van vrijstelling een MER is opgesteld voor het megabioscoopcomplex.

   De Afdeling stelt voorop dat het plan, behoudens het gedeelte van het plan dat ziet op de megabioscoop, hoofdzakelijk conserverend van aard is. Uit het conserverende karakter van dit deel van het plan vloeit reeds voort, daargelaten de vraag of de in dit conserverende gedeelte van het plan opgenomen functies moeten worden aangemerkt als recreatieve of toeristische voorziening, dat dit deel van het plan niet voorziet in de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijke voorziening. Appellante heeft ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat voor de andere activiteiten die in het plan zijn opgenomen een MER moest worden opgesteld of een m.e.r.-beoordeling moest worden uitgevoerd.

   Uit de omstandigheid dat ten behoeve van de verlening van vrijstelling voor het megabioscoopcomplex een MER is opgesteld vloeit voort dat de uitgangspunten van het MER dat ten grondslag heeft gelegen aan dit eerste ruimtelijke besluit dat ziet op het megabioscoopcomplex in deze procedure niet meer aan de orde kunnen komen.

   Gelet op het vorenstaande treffen de bezwaren van appellante met betrekking tot het MER geen doel.

Beschermd stadsgezicht

Het standpunt van de Kern GeWond

2.17.    De Kern GeWond stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het grootste deel van het plan. Volgens de Kern GeWond wordt het beschermde stadsgezicht aangetast door de schaal van bebouwing en de toegestane bouwhoogten van met name het megabioscoopcomplex. De Kern GeWond stelt voorts dat uit de aanwijzing van het plangebied als beschermd stadsgezicht voortvloeit dat de Haagse Beek moet worden hersteld.

Het standpunt van verweerder

2.18.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de in overweging 2.14. genoemde planonderdelen. Voor het overige heeft verweerder het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hij het plan goedgekeurd.

   Volgens verweerder wordt het beschermde stadsgezicht niet onevenredig door het plan aangetast. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de aanwijzing als beschermd stadsgezicht niet voortvloeit dat situaties uit het verleden, zoals de Haagse Beek, zouden moeten worden hersteld.

De vaststelling van de feiten

2.19.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.19.1.    Tussen de Grote Marktstraat, het Spui, de Gedempte Gracht en de Voldersgracht ligt een plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden IV (CDIV)". Op een strook aan de Voldersgracht en de Gedempte Gracht geldt de aanduiding "maximale bouwhoogte 25 meter". Op andere delen van het plandeel gelden de aanduidingen "maximale bouwhoogte 30 meter" en "maximale bouwhoogte 40 meter". In de plantoelichting staat dat dit plandeel is opgenomen met het oog op de vestiging van een megabioscoop.

   Voor de overige plandelen voorziet het plan in bouwhoogten variërend van 15 tot 40 meter.  

2.19.2.    Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden (CD)" onder meer bestemd voor detailhandel tot een totaal van maximaal 106.100 m2 bruto-vloeroppervlak met maximaal 16.000 m2 op gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden IV (CDIV)". Voorts zijn de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden IV (CDIV)" bestemd voor de op het moment van tervisielegging van het plan bestaande woningen, recreatie-inrichtingen en horeca-inrichtingen voor zover deze op de plankaart zijn aangegeven.

   Voor het bouwen geldt dat de hoogte van de hoofdbebouwing niet meer mag bedragen dan op de plankaart is aangegeven en dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 4 van de planvoorschriften, met dien verstande dat indien in een bouwstrook, vanaf de straatzijde waaraan de bouwstrook is gelegen, op de plankaart een oplopende hoogte is aangegeven, het verschil in deze bouwhoogten mag worden overbrugd door een getrapte opbouw echter onder een maximale hellingshoek van 60 graden. De hoofdbebouwing dient binnen de op de plankaart aangegeven bouwstrook te worden gebouwd, met de gevel in de voorgevelrooilijn. De gronden mogen voorts volledig worden bebouwd tenzij dit op de plankaart of in deze voorschriften afwijkend is geregeld.

   In artikel 4 van de planvoorschriften is een beschrijving in hoofdlijnen gegeven. In het eerste lid van dit artikel staat onder meer dat alle maatregelen ten aanzien van het gebruik van de gronden en van de bestaande en toekomstige bebouwing beogen, naast het realiseren van de per bestemming beschreven doeleinden, het behoud en versterking van de functionele en ruimtelijke karakteristiek van de gronden en de gebouwde omgeving gelegen binnen het plangebied. In het vijfde lid van dit planvoorschrift staat dat uitgangspunt voor de herontwikkeling van het gebied is om aansluiting te zoeken bij de grote stedelijke bouwblokkenstructuur. Teneinde de gewenste uitbreiding en intensivering van het programma te kunnen huisvesten wordt de bouwhoogte in het middendeel van de blokken ter weerszijde van de Grote Marktstraat opgehoogd tot maximaal 40 meter. Zowel ruimtelijk als functioneel wordt hierbij aansluiting gezocht bij het gebied het Nieuwe Centrum. Met de bouwhoogten wordt aangesloten op de hiërarchie tussen verschillende straten.

   Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften dient het bouwen binnen het beschermd stadsgezicht zodanig plaats te vinden dat de ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan aanwezige cultuurhistorische waarden en de uitwendige architectonische vormgeving niet wezenlijk wordt aangetast.

2.19.3.    De binnenstad van Den Haag, waaronder het gehele plangebied, is bij besluit van 28 juni 1994 aangewezen als beschermd stadsgezicht als bedoeld in artikel 1, onder g van de Monumentenwet 1988. In de toelichting bij het besluit tot uitbreiding van de beschermde stadsgezichten te

's-Gravenhage staat dat in het gehele beschermde gebied de historisch-ruimtelijke structuur, dat wil zeggen het historisch patroon van straten, stegen, open ruimten en waterlopen, in samenhang met de schaal van de bebouwing ter plaatse, van belang is. Het aanwijzingsbelang is in grote delen van het beschermde gebied, waaronder het Spuikwartier en het per traditie aan voortdurende veranderingen onderhevige citygebied, tot dat aspect beperkt. Het stadsdeel Spuikwartier onderscheidt zich door een rechtlijnig stratenpatroon en het ontbreken van (historisch gezien) bijzondere openbare ruimten en gebouwen. De Nieuwe Kerk met het omringende kerkhof wordt gezien als het enige bijzondere ruimtelijke accent in dit gebied.

De bebouwingshoogte varieert in het algemeen door de per pand vaak zeer verschillende verdiepingshoogten. Volgens de toelichting wordt de hoogste bebouwing aangetroffen in de zone Grote Marktstraat - Kalvermarkt.

Doel van de aanwijzing als beschermd stadsgezicht is de karakteristieke met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen binnen het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te geven voor een ruimtelijke ontwikkeling, die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt en daarop voortbouwt.

2.19.4.    In de plantoelichting staat dat het beeld van de Grote Marktstraat wordt bepaald door de grootwinkelbedrijven. De bouwhoogten aan de Grote Marktstraat beperken zich tot een hoogte van ongeveer 21 meter in de rooilijn tot ongeveer 30 meter in teruggelegen volumes. De hoge gebouwen concentreren zich volgens de plantoelichting aan het Spui. Daarbij wordt gewezen op de Nieuwe Kerk, de nieuwbouw van de Tweede Kamer aan de Hofplaats, het nieuwe stadhuis en het Mercure-hotel.

2.19.5.    In het deskundigenbericht staat dat ter plaatse van het voorziene megabioscoopcomplex bebouwing kan worden verwezenlijkt die ongeveer 10 meter hoger is dan tot voor kort ter plaatse aanwezig was. Echter, deze bouwhoogte is enkel op het midden van het bouwblok toegestaan. Langs de straten zijn lagere bouwhoogten opgenomen die corresponderen met de bestaande bouwhoogten in die straten. De hogere bebouwing zal derhalve vanaf de straat niet of nauwelijks zichtbaar zijn, aldus het deskundigenbericht.

Het oordeel van de Afdeling

2.20.    Vast staat dat het plan niet voorziet in het herstel van de Haagse Beek. Blijkens de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van onder meer het plangebied als beschermd stadsgezicht is die aanwijzing erop gericht de huidige historische ruimtelijke waarden van het gebied te behouden. Uit de aanwijzing vloeit niet voort dat een oude -thans niet meer bestaande- situatie dient te worden hersteld. Ook overigens heeft appellante geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan de noodzaak tot het herstel van de Haagse Beek moet worden aangenomen. Het bezwaar van appellante met betrekking tot de Haagse Beek treft derhalve geen doel.

2.20.1.    Vast staat dat het plangebied deel uitmaakt van een gebied dat als beschermd stadsgezicht is aangewezen. Blijkens de toelichting bij deze aanwijzing als weergegeven in overweging 2.19.3. is het aanwijzingsbelang van het gebied vooral gelegen in de bescherming van het historisch patroon van straten, stegen, open ruimten en waterlopen, in samenhang met de schaal van de bebouwing.

   Gelet op de beschermingsdoelstellingen van de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht en de schaal en bouwhoogten van de reeds bestaande bebouwing in de omgeving zoals die uit de plantoelichting en het deskundigenbericht blijken is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de in het plan opgenomen bouwhoogten en de schaal van de toegestane bebouwing een onevenredige aantasting van het beschermde stadsgezicht inhouden. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het plan hoofdzakelijk conserverend van aard is en dat, voor zover het plan nieuwe ontwikkelingen in de vorm van het megabioscoopcomplex mogelijk maakt, dit voorziet in een gelaagde opbouw van bouwhoogten. Ook overigens heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het bestemmingsplan onvoldoende bescherming biedt aan de ingevolge de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht te beschermen waarden. Gelet hierop heeft verweerder in de stellingen van appellante met betrekking tot het beschermde stadsgezicht in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien niet met de in het plan opgenomen bouwvlakken en bouwhoogten in te stemmen.  

Megabioscoop

Het standpunt van de Kern GeWond

2.21.    De Kern GeWond stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden IV (CDIV)". Volgens haar bestaat geen behoefte aan een megabioscoop en moet aan de uitvoerbaarheid van het plandeel worden getwijfeld.

Het standpunt van verweerder

2.22.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden IV (CDIV)" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd. Volgens verweerder staan de behoefte aan een megabioscoop en de uitvoerbaarheid van het plandeel voldoende vast.

De vaststelling van de feiten

2.23.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.23.1.    Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden IV (CDIV)" bestemd voor onder meer detailhandel en recreatie-inrichtingen.

2.23.2.    In de plantoelichting staat dat binnensteden in toenemende mate een rol vervullen als multifunctionele koop-, vermaaks- en verblijfsgebieden voor vooral recreatieve tijdsbesteding. Volgens de plantoelichting is de Haagse binnenstad thans nog te eenzijdig op winkelen gericht. De ambitie in het Spuimarktgebied is om een forse toevoeging mogelijk te maken van het vrijetijdsaanbod. Met het opnemen van een mogelijkheid tot vestiging van een megabioscoop wordt tegemoet gekomen aan de schaalvergrotingstendens in de bioscoopmarkt en aan de sterk gegroeide behoefte aan bioscoopstoelen. Daarbij is uitgegaan van de concentratie van grootschalige recreatieve voorzieningen in de centrale zone van de stad.

2.23.3.    In de plantoelichting is vermeld dat in juni 1999 een notitie "Bioscopen in Den Haag bekeken" is opgesteld. Daarin staan onder meer de ontwikkelingen van de Haagse bioscoopmarkt beschreven, alsmede de afweging van plannen en initiatieven op basis van algemeen beleid, ruimtelijke, economische en andere criteria. Ook is daarbij gekeken naar financiële aspecten, aldus de plantoelichting. De keuze voor een megabioscoopcomplex aan de Spuimarkt is gebaseerd op de locatie, de planfase en de haalbaarheid.  

Het oordeel van de Afdeling

2.24.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt met het opnemen van een grootschalige recreatie-inrichting in het plan, waarmee onder meer vestiging van een megabioscoop mogelijk wordt gemaakt, beoogd de aantrekkelijkheid en multifunctionaliteit van de Haagse binnenstad te vergroten. De keuze voor een megabioscoopcomplex is blijkens de plantoelichting mede gebaseerd op de in overweging 2.23.3. genoemde notitie. Niet is gebleken dat de feiten die de gemeenteraad aan deze keuze ten grondslag heeft gelegd, onjuist zijn. Appellante heeft haar stelling dat geen behoefte bestaat aan een megabioscoop voorts niet nader onderbouwd. Ook heeft zij geen gegevens aangedragen ter onderbouwing van haar stelling dat het plan op dit punt niet uitvoerbaar is. De bezwaren van appellante treffen op dit punt dan ook geen doel.

GSM-masten op de gebouwen van V&D, Bijenkorf en Hema en het gebruik als kantoor

Het standpunt van IEF Berlage I en andere

2.25.    IEF Berlage I en andere stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Centrumdoeleinden I (CDI)" en "Centrumdoeleinden III (CDIII)" ter plaatse van de gebouwen van V&D, Bijenkorf en Hema.

   Appellanten stellen daartoe dat het gebruik als kantoor van de gebouwen boven de warenhuizen ten onrechte niet overeenkomstig het feitelijke gebruik is bestemd.

   Zij stellen voorts dat de op de bebouwing aanwezige GSM-masten ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd.

Het standpunt van verweerder

2.26.    Behoudens het in overweging 2.14. genoemde gedeelte van het plandeel met de bestemming Centrumdoeleinden III (CDIII)" heeft verweerder de plandelen met de bestemmingen "Centrumdoeleinden I (CDI)" en "Centrumdoeleinden III (CDIII)" ter plaatse van de gebouwen van de V&D, Bijenkorf en Hema niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hij deze plandelen voor het overige goedgekeurd.

   Verweerder is ervan uitgegaan dat door het gemeentebestuur geen vergunningen voor de GSM-masten zijn verleend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen reden bestaat op grond waarvan niet met het opnemen van een vrijstellingsbevoegdheid ten aanzien van de plaatsing van GSM-masten kan worden volstaan.

De vaststelling van de feiten

2.27.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.27.1.    Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn op de gronden met de bestemmingen "Centrumdoeleinden I (CDI)" en "Centrumdoeleinden III (CDIII)" onder meer toegestaan detailhandel, waarbij het maximale brutovloeroppervlak is aangegeven, wonen, en recreatie-inrichtingen. Kantoren zijn volgens dit planvoorschrift alleen toegestaan op plandelen met de bestemming "Centrumdoeleinden II (CDII)".

In artikel 1, onder 8., van de planvoorschriften staat dat onder bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) wordt verstaan de verkoopruimte, met uitsluiting van alle andere voor de bedrijfsvoering benodigde overdekte ruimte binnen een detailhandelsvestiging (ook wel genoemd bruto vloeroppervlakte).

2.27.2.    In het deskundigenbericht staat dat in de gebouwen van de V&D, Bijenkorf en Hema geen zelfstandige kantoren zijn gevestigd. De aanwezige kantoren staan alle ten dienste aan de desbetreffende warenhuizen, aldus het deskundigenbericht.

2.27.3.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder 1, 2 en 3 van de planvoorschriften is het verboden GSM-installaties te plaatsen aan of op beschermde monumenten aangewezen op grond van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening Den Haag, gebouwen gelegen binnen het beschermd stadsgezicht (het gehele plangebied), en gebouwen met (gedeeltelijk) een woonfunctie. Ingevolge het derde lid van dit planvoorschrift zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het voornoemde verbod tot plaatsing van GSM-installaties op gebouwen met (gedeeltelijk) een woonfunctie en op gebouwen gelegen binnen het beschermd stadsgezicht (het gehele plangebied).

   Voor het plaatsen van GSM-installaties op beschermde monumenten geldt geen vrijstellingsbevoegdheid.

2.27.4.    Appellanten zijn eigenaar van de gebouwen van de Hema, V&D en de Bijenkorf. In het deskundigenbericht staat dat op die gebouwen verschillende GSM-installaties aanwezig zijn.

   De gebouwen van de Hema en de Bijenkorf staan op gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)". Het gebouw van de V&D staat op gronden met de bestemming "Centrumdoeleinden I (CDI)".

De gebouwen van appellanten vallen binnen het gebied dat is aanwezen als beschermd stadsgezicht. Het gebouw van de Bijenkorf is voorts aangewezen als rijksmonument. De gebouwen van Hema en V&D zijn niet aangewezen als rijksmonument.

2.27.5.    Bij brief van 24 mei 2006 heeft de gemeenteraad onder meer medegedeeld dat op 28 augustus 2005 een vergunning is verleend voor het plaatsen van een antenne-installatie ten behoeve van mobiele telefonie op het dak van het pand van V&D. Ook is bij besluit van 24 mei 2005 een vergunning verleend voor het wijzigen van GSM-installaties op het dak van de Bijenkorf.

Het oordeel van de Afdeling

2.28.    Vast staat dat artikel 6 van de planvoorschriften gebruik ten behoeve van detailhandel mogelijk maakt ter plaatse van de gronden met de bestemmingen ""Centrumdoeleinden I (CDI)" en "Centrumdoeleinden III (CDIII)". Uit dit planvoorschrift, in samenhang met artikel 1, onder 8, van de planvoorschriften, vloeit voort dat onder gebruik ten behoeve van detailhandel wordt verstaan het gebruik als verkoopruimte, maar ook het gebruik ten behoeve van alle voor de bedrijfsvoering benodigde overdekte ruimte.

   Uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de kantoren boven de Hema, V&D en de Bijenkorf ten dienste staan van de verkoopruimte van de in die gebouwen gevestigde detailhandelbedrijven. Hieruit volgt dat het gebruik als kantoor van een gedeelte van de gebouwen van de Hema, V&D en Bijenkorf past binnen de bestemming van de gronden waarop die gebouwen staan. De stelling van appellanten dat het gebruik als kantoor van de gebouwen boven de warenhuizen ten onrechte niet overeenkomstig het feitelijke gebruik is bestemd mist dan ook feitelijke grondslag.

2.28.1.    Nu vast staat dat de gebouwen van appellanten op de plandelen "Centrumdoeleinden I (CDI)" en "Centrumdoeleinden III (CDIII)" vallen binnen het als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied staat het plan GSM-installaties op de gebouwen van de Hema en V&D eerst toe na verlening van vrijstelling. Voor een GSM-mast op het gebouw van de Bijenkorf kan ingevolge het plan geen vrijstelling worden verleend.

   De Afdeling acht het opnemen van een vrijstellingsbevoegdheid in het plan ten aanzien van het plaatsen van GSM-masten in het algemeen niet onredelijk.

   Niet is gebleken dat vergunningen zijn verleend voor GSM-masten op het gebouw van de Hema. In zoverre is niet gebleken van bestaande rechten waarmee in het plan rekening moest worden gehouden.

Uit de in overweging 2.27.5. genoemde, door de gemeenteraad ingebrachte, stukken is gebleken dat een vergunning is verleend voor een GSM-mast op het gebouw van V&D. Deze vergunning dateert echter van na het bestreden besluit, waaruit volgt dat verweerder hiermee bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden.

Uit de door de gemeenteraad ingebrachte stukken is voorts gebleken dat reeds voor het nemen van het bestreden besluit een vergunning is verleend voor de wijziging van een GSM-mast op het gebouw van de Bijenkorf. Hieruit volgt dat de veronderstelling die verweerder bij het nemen van zijn besluit als uitgangspunt heeft genomen, namelijk dat geen vergunningen zijn verleend voor GSM-masten op het gebouw van de Bijenkorf, onjuist is. Dit brengt tevens mee dat verweerder de eventuele uit deze vergunning voorvloeiende gevestigde rechten van appellanten ten aanzien van de op de Bijenkorf aanwezige GSM-masten niet bij de belangenafweging in het kader van de beslissing omtrent de goedkeuring van het plan heeft betrokken. De Afdeling merkt in dit verband op dat, indien de GSM-mast legaal is opgericht, het plan tot gevolg heeft dat deze GSM-mast onder het overgangsrecht van het plan is gebracht. Het brengen van een op legale wijze opgerichte GSM-mast onder het overgangsrecht is slechts aanvaardbaar indien aannemelijk is dat deze mast binnen de planperiode zal verdwijnen.

   Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van de in het plan opgenomen regeling voor de op het gebouw van de Bijenkorf aanwezige GSM-masten.

Voetgangerspassages door V&D

Het standpunt van IEF Berlage I en andere

2.29.    IEF Berlage I en andere stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (CDI)" respectievelijk de aanduidingen "voetgangersdoorgang/passage", welke zien op de aanleg van een voetgangersdoorgang ter plaatse van het gebouw van V&D. Appellanten stellen dat het plan op dit punt niet uitvoerbaar is, nu de passages zijn voorzien door één van haar panden en appellanten niet voornemens zijn de passages te verwezenlijken.

Het standpunt van verweerder

2.30.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (CDI)" niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd.

   Voorts heeft verweerder de aanduidingen "Voetgangersdoorgang/passage" ter plaatse van het gebouw van V&D niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft de aanduidingen goedgekeurd.

De vaststelling van de feiten

2.31.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.31.1.    Het gebouw van V&D is gelegen tussen de Grote Marktstraat en de Spuistraat, op het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden I (CDI)". Op de plankaart zijn ten noorden van V&D aan de zijde van de Spuistraat, buiten de plangrens, twee aanduidingen "voetgangersdoorgang/passage" opgenomen. Ten zuiden van V&D, op het plandeel met de bestemming "Langzaamverkeersgebied", zijn twee aanduidingen "voetgangersdoorgang/passage" opgenomen.

Thans is geen voetgangerspassage door het gebouw van V&D aanwezig.

2.31.2.    In artikel 6 van de planvoorschriften, dat onder meer ziet op de bestemming "Centrumdoeleinden I (CDI)" staat dat de gronden met deze bestemming onder meer zijn bestemd voor detailhandel. Ten behoeve van het toegestane gebruik zijn op deze gronden onder meer tuinen, erven en ontsluitingswegen toegestaan.

2.31.3.    In artikel 12 van de planvoorschriften, waarin voorschriften zijn neergelegd ten aanzien van de bestemming "Langzaamverkeersgebied",  wordt de aanduiding "voetgangersdoorgang/passage" niet genoemd.

Het oordeel van de Afdeling

2.32.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat is beoogd een mogelijkheid tot het creëren van een voetgangersdoorgang door het gebouw van V&D in het plan op te nemen door middel van de aanduidingen "voetgangersdoorgang/passage". Voor zover het beroep van appellanten is gericht tegen de goedkeuring van deze aanduidingen overweegt de Afdeling het volgende.

   Vastgesteld wordt dat de aanduidingen "voetgangersdoorgang/passage" ten noorden van het gebouw van V&D op de plankaart zijn geplaatst buiten de grenzen van het plangebied. Deze aanduidingen vallen hiermee buiten het plan. Nu deze aanduidingen geen deel uitmaken van het plan en het besluit van verweerder slechts betrekking heeft op het plan, kan het bestreden besluit geen betrekking hebben op deze buiten de plangrenzen geplaatste aanduidingen. De aanduidingen ten noorden van het gebouw van V&D missen derhalve betekenis.

   Vast staat dat de aanduidingen ten zuiden van V&D zijn geplaatst op het plandeel met de bestemming "Langzaamverkeersgebied". Nu artikel 12 van de planvoorschriften dat ziet op de bestemming "Langzaamverkeersgebied" geen bepalingen bevat omtrent de aanduiding "voetgangersdoorgang/passage" komt aan deze aanduidingen evenmin betekenis toe. Gelet hierop mist het beroep van appellante, voor zover dat is gericht tegen de goedkeuring van de aanduidingen "voetgangersdoorgang/passage", feitelijke grondslag.

2.32.1.    De Afdeling stelt onder verwijzing naar overweging 2.31.2. voorts vast dat ook de bestemming "Centrumdoeleinden I (CDI)" een voetgangersdoorgang niet onmogelijk maakt. De Afdeling wijst er daarbij op dat ook de huidige feitelijke situatie -waarin een passage door V&D ontbreekt- past binnen deze bestemming. Voor zover appellanten vrezen dat de bestemming "Centrumdoeleinden I (CDI)" verplicht tot het verwezenlijken van een voetgangersdoorgang merkt de Afdeling op dat dit bestemmingsplan daartoe niet noopt. Gelet op het vorenstaande treft het argument van appellante ten aanzien van de voetgangersdoorgang door V&D geen doel.

Grote Marktstraat

Het standpunt van de Kern GeWond en [appellanten sub 3]

2.33.    De Kern GeWond en [appellanten sub 3] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Langzaamverkeersgebied" ter plaatse van de Grote Marktstraat. Volgens hen heeft de afsluiting van de Grote Marktstraat voor doorgaand gemotoriseerd verkeer tot gevolg dat de luchtkwaliteitssituatie op de Veerkaden zal verslechteren.

Het standpunt van verweerder

2.34.    Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Langzaamverkeersgebied" ter plaatse van de Grote Marktstraat niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plandeel goedgekeurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het realistisch is te veronderstellen dat de parkeerroute en de centrumring binnen de planperiode functioneren. Voorts is verweerder van mening dat de door de gemeenteraad voorgenomen maatregelen ten aanzien van de verbetering van de luchtkwaliteit voldoende zijn. Volgens verweerder leidt de afsluiting van de Grote Marktstraat voor doorgaand verkeer niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit op de Veerkaden.

Vaststelling van de feiten

2.35.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.35.1.    Voor een weergave van artikel 7 van het Blk 2005 en de in het Blk 2005 gestelde grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide wordt verwezen naar overwegingen 2.11.3. en 2.11.4..

2.35.2.    Zoals vermeld in overweging 2.11.5. is ten behoeve van de planvaststelling een onderzoek naar onder meer de luchtkwaliteit uitgevoerd. In het onderzoeksrapport is een tabel met de resultaten van de luchtkwaliteitsberekeningen weergegeven waaruit blijkt dat berekeningen zijn uitgevoerd voor onder meer de Amsterdamse Veerkade en de Stille Veerkade. Uit deze tabel blijkt voorts dat het toegestane aantal overschrijdingsdagen van 35 van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie op alle straten waarvoor berekeningen zijn uitgevoerd wordt overschreden. Voorts vindt op de Stille Veerkade en Amsterdamse Veerkade op 9 meter afstand tot de wegas een overschrijding van de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide plaats in het jaar 2010, aldus het rapport.

Voor alle overige stoffen wordt voldaan aan de grenswaarden en plandrempels voor 2010.

2.35.3.    Voor een weergave van het bij brief van 4 mei 2006 ingebrachte rapport inzake de luchtkwaliteit wordt verwezen naar overweging 2.11.6..

Het oordeel van de Afdeling

2.36.    Niet in geding is dat het verkeer dat ingevolge het oude bestemmingsplan gebruik kon maken van de doorgaande route over de Grote Marktstraat ingevolge de bestemming "Langzaamverkeersgebied" niet langer van de Grote Marktstraat gebruik zal kunnen maken. Ten gevolge hiervan zal dit verkeer een andere route moeten kiezen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat wordt beoogd dit verkeer over de centrumring te leiden, zodat het geen gebruik zal maken van de reeds overbelaste Veerkadenroute. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is eveneens gebleken dat, hoewel de aanleg van de centrumring is voltooid, de centrumring thans niet optimaal functioneert. Gelet hierop is niet uitgesloten dat tenminste een deel van het verkeer dat gebruik maakte van de Grote Marktstraat, nu van de Veerkadenroute gebruik zal gaan maken. Hieruit volgt dat het plandeel met de bestemming "Langzaamverkeersgebied" ter plaatse van de Grote Marktstraat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit op de Veerkaden.

   Zoals in overweging 2.11.5. weergegeven is ten behoeve van de planvaststelling onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit. Uit dit luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat ter plaatse van de Veerkaden niet zal worden voldaan aan de grenswaarde ten aanzien van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes. Ook vindt ter plaatse van de Veerkaden een overschrijding van de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide plaats. Gelet daarop wordt niet voldaan aan artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005. De Afdeling merkt op dat dit, gelet op artikel 7, derde lid, van het Blk 2005, niet in de weg behoeft te staan aan de verwezenlijking van het plandeel. Om te kunnen beoordelen of ten aanzien van de Veerkaden sprake is van een de situatie zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 is in de eerste plaats inzicht vereist in de invloed van het in geding zijnde plandeel op de luchtkwaliteitssituatie op de Veerkaden. Zoals in overweging 2.12. overwogen brengt de toepassing van dit artikelonderdeel immers mee dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de luchtkwaliteit in de autonome ontwikkeling en de luchtkwaliteit na verwezenlijking van het plandeel, zodat de invloed van het plandeel op de luchtkwaliteit kan worden bezien. Nu het luchtkwaliteitsrapport enkel de resultaten van de berekeningen met betrekking tot de situatie na verwezenlijking van het plan bevat en gegevens met betrekking tot de autonome ontwikkeling ontbreken, kan de situatie na verwezenlijking van het plan niet worden vergeleken met de autonome situatie. Voorts wordt in het onderzoek geen inzicht geboden in de bijdrage van het bestreden plandeel aan de luchtkwaliteitssituatie op de Veerkaden. Uit het vorenstaande volgt dat niet kan worden beoordeeld of ten aanzien van dit plandeel sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder

a. of b., van het Blk 2005. Gelet hierop heeft verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zich zonder nadere motivering niet op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van het plandeel "Langzaamverkeersgebied" wordt voldaan aan het Blk 2005.

2.36.1.    Uit het in overweging 2.11.6. genoemde rapport kan niet worden geconcludeerd dat het plandeel zonder twijfel voldoet aan het Blk 2005. De in het rapport weergegeven berekeningen hebben immers enkel betrekking op de Gedempte Gracht en de Wagenstraat. Het rapport geeft daarmee geen inzicht in de luchtkwaliteitssituatie op de Veerkaden na verwezenlijking van het plandeel met de bestemming "Langzaamverkeersgebied".

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding om ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Langzaamverkeersgebied", waarvan de goedkeuring dient te worden vernietigd, toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

Conclusie ten aanzien van de goedkeuring

2.37.    Uit overweging 2.28.1. volgt dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden (CDIII)" ter plaatse van het gebouw van de Bijenkorf  niet is voorbereid met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen van IEF Berlage I en de Kern GeWond zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het bovengenoemde gedeelte van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)" wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.38.    Uit overweging 2.36. volgt dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Langzaamverkeersgebied", niet is voorbereid met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellanten sub 3] is geheel en het beroep van de Kern GeWond is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het bovengenoemde plandeel wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

2.39.    Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich, voor zover hij goedkeuring heeft verleend aan het plan en behoudens de in overwegingen 2.37. en 2.38. genoemde plandelen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep van de Kern GeWond en IEF Berlage I is voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.40.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van IEF Berlage I en andere en ING Vastgoed Ontwikkeling en andere te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige beroepen is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van de gemeenteraad, ING Vastgoed Ontwikkeling en andere en [appellanten sub 3] geheel, en de beroepen van de Kern GeWond en IEF Berlage I en andere gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 14 juni 2005, DRM/ARB/04/11777A, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan:

- het op de plankaart rood omlijnde gedeelte van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)" dat betrekking heeft op de aanbouwmogelijkheden aan het pand van de Hema;

- de zinsnede "parkeren en overige voorzieningen" in artikel 6, eerste lid, alsmede aan artikel 6, tweede lid, onder f., derde lid, onder d., en vierde lid, onder B, van de planvoorschriften;

en voor zover het betreft de goedkeuring van:

- het gedeelte van het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden III (CDIII)" ter plaatse van het gebouw van de Bijenkorf;

- het plandeel met de bestemming "Langzaamverkeersgebied";

III.    onthoudt goedkeuring aan de zinsnede "parkeren en overige voorzieningen" in artikel 6, eerste lid, alsmede aan artikel 6, tweede lid, onder f., derde lid, onder d., en vierde lid, onder B, van de planvoorschriften;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover het de onder III genoemde planonderdelen betreft;

V.    verklaart de beroepen van De Kern GeWond en IEF Berlage I en andere voor het overige ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van de door hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro); dit bedrag dient door de provincie Zuid-Holland, onder vermelding van het zaaknummer, als volgt te worden betaald aan:

1. IEF Berlage I en andere € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2. ING Vastgoed Ontwikkeling en andere € 644,00 euro (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor appellante sub 1, € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor appellanten sub 2, € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellanten sub 3, € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor appellant sub 4 en € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor appellanten sub 5 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Langeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

357-481.