Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5045

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200601697/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) de aanvraag van appellant om een bijzondere bijdrage in de huurlasten over het jaar 2004-2005 afgewezen, omdat het actuele inkomen niet ten minste 20 procent lager is dan het gecorrigeerde belastbaar jaarinkomen over 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Inkomensafhankelijke regelingen 2006/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601697/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. WWB 05/2446 van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) de aanvraag van appellant om een bijzondere bijdrage in de huurlasten over het jaar 2004-2005 afgewezen, omdat het actuele inkomen niet ten minste 20 procent lager is dan het gecorrigeerde belastbaar jaarinkomen over 2003.

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 januari 2006, verzonden op 26 januari 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 14 juli 2006, waar partijen, waarvan het college met bericht, niet zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw), zoals die wet ten tijde hier van belang luidde, wordt onder peiljaar verstaan het kalenderjaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder n, van de Hsw wordt onder subsidiejaar verstaan het tijdvak dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het daaropvolgende jaar.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Hsw wordt onder rekeninkomen verstaan het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.

   Ingevolge artikel 26a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hsw wordt in dit hoofdstuk en de bepalingen die daarop berusten onder actueel inkomen verstaan het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners, dat wordt berekend door het netto inkomen over de eerste kalendermaand van het desbetreffende bijdragetijdvak te herrekenen naar een gecorrigeerd verzamelinkomen over het peiljaar.

   Ingevolge artikel 26a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hsw wordt in dit hoofdstuk en de bepalingen die daarop berusten onder bijzondere bijdrage in de huurlasten verstaan: bijzondere bijdrage als bedoeld in artikel 26b.

   Ingevolge artikel 26b, eerste lid, van de Hsw kennen burgemeester en wethouders, indien voor het einde van het subsidietijdvak blijkt dat het actueel inkomen ten minste 20 procent lager ligt dan het rekeninkomen, op aanvraag aan een huurder een bijzondere bijdrage toe ter tegemoetkoming in de kosten van het huren van een woning.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit vangnetregeling huursubsidie, zoals dit ten tijde hier van belang luidde, wordt het actuele inkomen, bedoeld in artikel 26a, eerste lid, onder a, van de Hsw, vastgesteld aan de hand van door de huurder en de medebewoners over te leggen stukken die naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor een deugdelijke onderbouwing van dat inkomen noodzakelijk zijn.

2.2.    Appellant is van mening, evenals hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen recht heeft op een bijzondere bijdrage in de huurlasten. Volgens appellant is het college bij de berekening van de inkomensdaling uitgegaan van een te hoog rekeninkomen, nu het hierbij ten onrechte een in het jaar 2003 onterecht aan hem uitbetaalde en reeds teruggevorderde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de WAO), ten bedrage van € 4.830,85, heeft betrokken.

2.3.    Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, uitgaande van een actueel inkomen van € 16.066,00 en een rekeninkomen in 2003 van € 19.320,00, de inkomensdaling van appellant 17% bedraagt. Dit percentage zou nog lager zijn, indien de ten onrechte aan appellant uitbetaalde WAO-uitkering in mindering zou worden gebracht op het rekeninkomen. Gelet hierop vloeit, zoals de rechtbank evenzeer terecht heeft overwogen, uit het bepaalde in artikel 26b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hsw voort dat appellant geen recht heeft op een bijzondere bijdrage in de huurlasten.

   Voor zover appellant betoogt dat bij de vaststelling van de huursubsidie rekening had moeten worden gehouden met het onverschuldigd aan hem betaalde en reeds teruggevorderde bedrag, dient dit in deze procedure buiten beschouwing te blijven. Het gaat in dit geding alleen om het besluit van het college een bijzondere bijdrage in de huurlasten af te wijzen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Dallinga

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

18-505.