Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5041

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200509307/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Montfoort (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een opslagruimte op het perceel [locatie] te Montfoort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509307/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 04/2778 van de rechtbank Utrecht van 4 oktober 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Montfoort.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Montfoort (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een opslagruimte op het perceel [locatie] te Montfoort.

Bij besluit van 14 september 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2005, verzonden op 11 oktober 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 februari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2006, waar het college, vertegenwoordigd door S.R. Visser en A. den Braven, beiden ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Appellante is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat op de gronden waarop het perceel zich bevindt ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" voor een deel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en voor het andere deel de bestemming "Agrarische doeleinden, rivierzone (AR)" rust. Het bouwplan is voorzien op het deel met de bestemming "Agrarische doeleinden, rivierzone (AR)". Evenmin is in geschil dat het bouwplan in strijd is met deze bestemming, omdat het buiten een bouwvlak is voorzien. Het bouwplan is tevens in strijd met het inmiddels op 13 december 2004 vastgestelde streekplan van de provincie Utrecht (hierna: het streekplan) dat uitbreiding van bebouwing in het buitengebied binnen de rode contouren toestaat, omdat het bouwplan is voorzien buiten de door het streekplan onderscheiden rode contouren.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering van vrijstelling in strijd komt met het vertrouwensbeginsel. Zij voert aan dat het college bij brief van 8 november 2000 bij haar de indruk heeft gewekt dat de bestemming van het perceel gewijzigd zou worden in "Bedrijfsdoeleinden (B)".

2.2.1.    Dit betoog treft geen doel. Het college heeft in de bijlage bij genoemde brief als conclusie vermeld dat aan de zienswijze van appellante dat ter plaatse een bedrijfsbestemming is gewenst, tegemoet is gekomen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan echter uit de opmerking in genoemde bijlage dat, uitgaande van de bedrijfsoppervlakte van de reeds vergunde schuur, een verdere uitbreiding met 20% (na vrijstelling met 30%) kan plaatsvinden, worden opgemaakt dat de bestemmingsplanwijziging niet gold voor beide gedeelten van het perceel, maar alleen voor dat gedeelte waarop de in 1999 verleende bouwvergunning betrekking had. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat de omstandigheid dat appellante niet heeft gecontroleerd of aan haar zienswijze inderdaad volledig was tegemoet gekomen en derhalve geen bezwaar heeft ingediend tegen het raadsbesluit tot vaststelling van de wijziging van het bestemmingsplan, voor rekening van appellante dient te blijven.

2.3.    Ook het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college ter zitting bij de rechtbank onweersproken heeft gesteld dat de bouwwerken die appellante heeft genoemd er al zeer lang staan en daarom positief zijn bestemd. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2006

17-488.