Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5032

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200604201/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim (hierna: het college), voor zover thans van belang, vrijstelling verleend voor het bouw- en woonrijp maken van het terrein Wergea-West fase 1 en 2 (Uitbreidingswijk Grut Palma).

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2006/4 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604201/2.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker] en zes anderen, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/706 EN 06/707 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 24 april 2006 in het geding tussen:

[verzoeker] en twaalf anderen, wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim (hierna: het college), voor zover thans van belang, vrijstelling verleend voor het bouw- en woonrijp maken van het terrein Wergea-West fase 1 en 2 (Uitbreidingswijk Grut Palma).

Bij uitspraak van 24 april 2006, verzonden op 27 april 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden, voor zover thans van belang, het daartegen door [verzoeker] en twaalf anderen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 7 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 juli 2006.

Bij brief van 8 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juli 2006, waar [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. M.T. Hoen, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door J.M. Wiersma en J.H. Brouwer, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Niet in geschil is dat thans slechts in geding is de vrijstelling voor zover deze ziet op het bouw- en woonrijp maken van het terrein. Zoals ter zitting door het college is beaamd kan de vrijstelling voor zover deze betrekking heeft op het bouwen van woningen ter plaatse eerst aan de orde komen in het kader van een voor deze woningen te verlenen bouwvergunning. Dit is ook in de rechtsmiddelenclausule van het besluit aangegeven.

2.3.    Hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht geeft geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling niet mocht worden verleend. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

2.4.    Anders dan verzoekers betogen kan het op 13 december 2005 door de gemeenteraad van Boarnsterhim vastgestelde bestemmingsplan "Wergea-West fase 1 en 2" als een goede ruimtelijke onderbouwing voor de vrijstelling worden beschouwd.

   Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van Gedeputeerde Staten van Friesland (hierna: GS) ten aanzien van dit bestemmingsplan. Dat, zoals verzoekers stellen, GS de bedenkingen van een aantal bezwaarmakers ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard betekent, wat daar ook van zij, evenwel niet dat het bestemmingsplan in strijd is met het recht en dat dit niet als ruimtelijke onderbouwing aan de vrijstelling ten grondslag gelegd had kunnen worden.

2.5.    Ingevolge artikel 10 van de Flora- en faunawet is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort opzettelijk te verontrusten.

   Ingevolge artikel 11 van deze wet is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

   Ingevolge artikel 75, vierde lid, van de Flora- en faunawet, voor zover hier van belang, worden vrijstellingen en ontheffingen slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

2.5.1.    Voor zover verzoekers betogen dat op het terrein door diverse vogels wordt genesteld ziet de Voorzitter daarin geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu niet is gebleken van meer dan een enkel nest, en aannemelijk is geworden dat ten aanzien van deze nesten voldoende zorgvuldigheid wordt betracht door de werkzaamheden op geruime afstand uit te voeren. Voorts is het broedseizoen thans verstreken.

2.5.2.    De Voorzitter acht gelet op hetgeen verzoekers hebben aangevoerd aannemelijk dat, anders dan het college veronderstelde, Kolganzen aanwezig zijn op het terrein. Er bestaat echter op voorhand geen grond voor het oordeel dat moet worden aangenomen dat de toepasselijke bepalingen van de Flora- en faunawet aan het verlenen van de vrijstelling in de weg staan. Daarbij neemt de Voorzitter mede in aanmerking dat, indien moet worden geoordeeld dat op grond van de Flora- en Faunawet ontheffing had moeten worden verleend voor de verontrusting van de ter plaatse aanwezige Kolganzen, de mogelijkheid bestaat om, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, alsnog vrijstelling of ontheffing te verlenen. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd wordt op voorhand onvoldoende grond gevonden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Mede gelet op de huidige stand van zaken - het terrein is bijna geheel geëgaliseerd - en het feit dat op voorhand de stelling van het college dat in de omgeving voldoende geschikte grond voor de Kolganzen aanwezig is om te foerageren niet onaannemelijk wordt geacht, ziet de Voorzitter geen aanleiding de vrijstelling te schorsen.

2.5.     Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

2.6.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Huijben

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

444.