Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY5024

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
200507734/3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van Borne het bestemmingsplan "Vogelbuurt" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507734/3.

Datum uitspraak: 18 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van Borne het bestemmingsplan "Vogelbuurt" vastgesteld.

Bij besluit van 19 juli 2005, kenmerk RWB/2005/163, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 1 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 december 2005.

Bij brief van 3 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2006, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juli 2006, waar verzoeker in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door drs. ing. A. Gijsendorffer, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad van de gemeente Borne, vertegenwoordigd door ing. S. Swart-Beekhuis en ing. J.F.J. Weghorst, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoeker stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover het betreft de mogelijkheden voor het vergroten van en het bouwen van bijgebouwen aan vrijstaande woningen. Hij stelt dat hierdoor uitwassen ontstaan, zoals reeds gebleken is bij enkele met gebruikmaking van artikel 19 van de WRO vergrote woningen. Hij vreest voor willekeur en rechtsonzekerheid voor bewoners van belendende percelen.

2.3.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien de bestreden planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij acht de planvoorschriften voor het bouwen van hoofd- en bijgebouwen binnen de bestemming "Woondoeleinden" voldoende concreet en rechtszeker. Het totale toelaatbare oppervlak van bijgebouwen buiten het bouwvlak is in artikel 4, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften gekoppeld aan het totale oppervlak van het bouwperceel. Hierdoor wordt maatwerk geleverd en is een heldere, stedenbouwkundig acceptabele regeling opgenomen. Ook de overige voorschriften voor bijgebouwen acht verweerder niet strijdig met een goede ruimtelijke ordening.

2.4.    Het plan is voornamelijk een beheerplan, dat is gericht op behoud van de huidige functies en structuur in het plangebied.

2.4.1.    Verzoekers bezwaren hebben betrekking op de percelen in het plangebied met de bestemming "Woondoeleinden -W-" en de aanduiding "v - vrijstaande woningen". Op de plankaart zijn per perceel onder meer de aanduidingen "bouwvlak hoofdgebouw met bijgebouwen", "zone onbebouwd" en "tuin" vermeld. Aan 8 percelen langs de Pr. Bernhardlaan, waaraan appellant woont, is tevens de aanduiding "* - afwijkende bebouwingsregeling 1" gegeven.

2.4.2.    Ingevolge artikel 4, derde lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de aanwijzingen op de plankaart alsmede de volgende bepalingen:

a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven "bouwvlak hoofdgebouw met bijgebouwen" worden gebouwd, een en ander met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "afwijkende bebouwingsregeling 1" vergroting van het oppervlak aan bebouwing binnen het "bouwvlak hoofdgebouw met bijgebouwen" niet meer mag bedragen dan 10% van het bebouwd oppervlak dat aanwezig was op het bouwperceel ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan;

b. per bouwvlak op de plankaart aangeduid met:

"v" mogen alleen vrijstaande woningen worden gebouwd;

c. ten aanzien van de hoofdgebouwen gelden de aanwijzingen op de plankaart met betrekking tot de maximale goothoogte;

d. de maximale bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt de in sub c bedoelde maximale goothoogte, vermeerderd met 4,5 meter;

h. de afstand van een vrijstaande woning (hoofdgebouw) tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt aan beide zijden ten minste 2,5 meter;

   Ingevolge het vierde lid van artikel 4 van de planvoorschriften gelden, voor zover hier van belang, voor het bouwen van bijgebouwen de volgende bepalingen:

a. de bijgebouwen mogen uitsluitend op de gronden die op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "tuin" en "bouwvlak hoofdgebouw met bijgebouwen" worden gebouwd, met dien verstande dat de afstand tussen de voorgevellijn en het bijgebouw minimaal 3 meter dient te bedragen;

c. het gezamenlijk oppervlak van hoofdgebouwen en bijgebouwen mag ten hoogste 60% van het oppervlak van het bouwperceel bedragen;

d. het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen binnen de zone "tuin" mag (met inachtneming van het bepaalde sub c) ten hoogste bedragen:

(2) 55 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte van 501 tot en met 750 m2

(3) 60 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte van 751 tot en met 1000 m2,

(4) 65 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte van 1001 m2 en meer,

met dien verstande dat de carport zoals bedoeld in lid 7, niet meegerekend wordt met het maximale toelaatbare oppervlak van bijgebouwen;

e. de maximale goothoogte van bijgebouwen mag ten hoogste 3 meter bedragen, met dien verstande dat de goothoogte van een met het hoofdgebouw verbonden bijgebouw ten hoogste

(1) 3 meter of

(2) de hoogte van de eerste bouwlaag of

(3) de hoogte van het verlengde van de dakhelling van het hoofdgebouw mag bedragen;

f. de maximale bouwhoogte van bijgebouwen mag ten hoogste 5,5 meter bedragen.

   Ingevolge artikel 1, begripsbepalingen, wordt verstaan onder

12. bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw, dat door zijn ligging, constructie en/of afmeting ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw;

27. geschakelde woning: woningen waarvan de hoofdgebouwen door middel van bijgebouwen met elkaar zijn verbonden;

46. vrijstaande woning: een woning die vrij staat van een andere woning.

   Ingevolge artikel 4, tweede lid, voor zover hier van belang, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval gerekend het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.

   De "afwijkende bebouwingsregeling 1" is volgens het raadsvoorstel opgenomen om onwenselijk forse uitbreidingen van de desbetreffende woningen dan wel de bouw van nieuwe woningen van 15 bij 15 meter te voorkomen. Daartoe is de in het voorgaande plan opgenomen maximale uitbreidingsruimte van 10% als bijzonder bebouwingsvoorschrift overgenomen. De regeling hangt samen met het feit dat in het voorgaande plan een overgangsregeling was opgenomen voor woningen die niet voldeden aan de in dat plan opgenomen voorschriften van één bouwlaag en een goothoogte van 4 meter. In het plan is een goothoogte van 6 meter voor de onder deze afwijkende bebouwingsregeling vallende woningen opgenomen om ook de woningen met twee bouwlagen als zodanig te bestemmen.

2.5.    Tengevolge van de combinatie van de planvoorschriften inzake het begrip "bijgebouw" en de voor de bestemming "Woondoeleinden - W-" met de aanduiding "v" gegeven bouwmogelijkheden, kunnen op de percelen met deze bestemming en aanduiding aangebouwde bijgebouwen met een woonfunctie worden opgericht op de perceelsdelen die zijn aangeduid als "tuin" en tot op de zijdelingse perceelsgrenzen. Weliswaar zijn in de planvoorschriften bepalingen opgenomen inzake de totale oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen op het gehele perceel en inzake de oppervlakte van bijgebouwen op de gronden gelegen in de zone "tuin", doch deze verhinderen niet dat de bedoelde bijgebouwen tot op de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd. De voor hoofdgebouwen in artikel 4, derde lid opgenomen afstand tot de zijdelingse perceelsgrens noch de grens van het bouwvlak geldt immers voor bijgebouwen. Indien de eigenaren van twee naast elkaar gelegen percelen beiden van de gegeven mogelijkheden gebruik zouden maken en bijgebouwen tot op de gezamenlijke perceelsgrens zouden bouwen, is er gezien artikel 1, onder 27, sprake van geschakelde woningen. Deze zijn echter volgens het plan niet toegestaan binnen de bestemming "Woondoeleinden -W-" met de aanduiding "v". De bijgebouwenregeling in de planvoorschriften voldoet in zoverre naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter niet aan de eisen van rechtszekerheid. Indien voorts één bewoner van een vrijstaande woning bijgebouwen met een woonfunctie tot op de zijdelingse perceelsgrens wil bouwen, kan de bijgebouwenregeling bij een dergelijke woning leiden tot aantasting van het woongenot en de privacy van bewoners van aangrenzende percelen. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat het gaat om een bestaande woonwijk en dat in het voorgaande plan de mogelijkheden voor het bouwen van aangebouwde bijgebouwen met een woonfunctie beperkter waren.

Gezien het voorgaande en gezien de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan bij het in werking zijn van het plan, acht de Voorzitter termen aanwezig het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen voor zover het betreft de goedkeuring van artikel 4, vierde lid, van de planvoorschriften, en voor zover dat artikellid betrekking heeft op plandelen met de aanduiding "v".

2.6.    Voor zover het verzoek betrekking heeft op de mogelijkheden tot het vergroten van een vrijstaande woning binnen het voor een perceel geldende bouwvlak is de Voorzitter voorshands van oordeel dat de opgenomen voorschriften niet zodanige nadelen meebrengen voor de bewoners van aangrenzende percelen dat hij verwacht dat de goedkeuring van de bedoelde voorschriften in de hoofdzaak niet in stand zal blijven. Derhalve acht hij geen termen aanwezig in zoverre een voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 19 juli 2005, kenmerk RWB/2005/163, voor zover het betreft de goedkeuring van artikel 4, vierde lid, van de planvoorschriften en voor zover dat artikellid betrekking heeft op plandelen met de aanduiding "v";

II.    wijst het verzoek voor het overige af;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 377,13 (zegge: driehonderd zevenenzeventig euro en dertien cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Overijssel aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Overijssel aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderd eenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Troost

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2006

234.