Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4269

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200510510/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2004 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rijbewijzen 2014/486
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510510/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/719 van de rechtbank Utrecht van 9 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen".

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2004 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard.

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het CBR het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2005, verzonden op 14 november 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 29 maart 2006 en 16 mei 2006 heeft het CBR van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2006, waar appellant in persoon en het CBR, vertegenwoordigd door mr. A. van Gijzen, juridisch medewerker bij de divisie vorderingen van het CBR, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant voert in de eerste plaats aan dat hij ter zitting bij de rechtbank niet voldoende gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren. In dit kader stelt hij tevens dat hij de over hem gemaakte rapporten niet heeft kunnen inzien en er ook geen commentaar op heeft kunnen leveren.

2.1.1.    Uit de stukken blijkt dat appellant ter zitting bij de rechtbank zijn standpunt naar voren heeft kunnen brengen en dat hij over de specialistische rapportages heeft kunnen beschikken, nu hij deze als bijlage bij zijn brief van 15 september 2005 aan de rechtbank heeft gevoegd. Dat hij in een eerder stadium geen commentaar heeft kunnen leveren op deze rapporten leidt niet tot de conclusie dat hij in zijn belangen is geschaad nu de medisch deskundigen op grond van hun bevindingen en expertise rapporteren aan het CBR en het standpunt van appellant aan dit medisch oordeel niet kan afdoen. Verder heeft appellant in bezwaar en beroep de mogelijkheid de conclusie van het CBR op basis van deze rapporten aan te vechten. Indien hij in bezwaar een deskundig tegen-rapport had willen overleggen, had hij om toezending van de rapportages kunnen verzoeken. Het betoog van appellant slaagt niet.

2.2.    Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

   Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover hier van belang, besluit het CBR, indien een in artikel 130, eerste lid, van die wet bedoelde schriftelijke mededeling is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

   Ingevolge artikel 131, zevende lid, van de WVW 1994, worden nadere regels gesteld ter uitvoering van onder meer het eerste lid.

   Ingevolge artikel 134, eerste lid, van de WVW 1994, voor zover hier van belang, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

   Ingevolge artikel 134, tweede lid, van de WVW 1994, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

   Ingevolge artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, voor zover hier van belang, deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

   Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid van 18 mei 2000 (Stcrt. 2000, 99) besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

   Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling eisen) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

   In die bijlage is onder punt 8.8, onder het opschrift 'Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)', bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring, op basis van een specialistisch rapport, geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.3.    Bij appellant is op 19 oktober 2002 als bestuurder van een motorrijtuig een ademalcoholgehalte van 760 µg/l geconstateerd. Naar aanleiding hiervan heeft de korpschef van de politie Gelderland-Zuid op 6 november 2002 mededeling gedaan aan het CBR van het vermoeden dat appellant niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen. Bij besluit van 28 augustus 2003 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) aan appellant meegedeeld dat deze zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994. Dit onderzoek is door een psychiater verricht op 7 januari 2004 (hierna: het eerste onderzoek).

   Naar aanleiding van de bevindingen uit het eerste onderzoek heeft het CBR bij brief van 26 februari 2004 aan appellant meegedeeld dat naar het oordeel van de Minister de uitslag van het onderzoek grond opleverde om het rijbewijs van appellant ongeldig te verklaren. Appellant heeft hierop verzocht om een tweede onderzoek. Dit onderzoek is verricht door een andere psychiater op 30 juni 2004 (hierna: het tweede onderzoek). Bij besluit van 26 juli 2004 heeft het CBR op basis van de resultaten van beide onderzoeken het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard op de grond dat appellant niet voldoet aan de eisen van geschiktheid.

2.4.    Appellant betwist het oordeel van de rechtbank dat het CBR terecht heeft vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de eisen van geschiktheid. Naar de mening van appellant is door het CBR onvoldoende rekening gehouden met zijn medicijngebruik en zijn rugproblemen, waardoor het bij hem geconstateerde verhoogde percentage carbohydraat-deficiënt transferrine (hierna: de CDT-waarde) zou kunnen worden verklaard. Ook voert appellant aan dat hij van kinds af aan een vergrote lever heeft gehad.

2.4.1.    Beide psychiaters hebben onafhankelijk van elkaar geconcludeerd dat bij appellant sprake is van alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid. Deze conclusies zijn onder meer gebaseerd op de verhoogde CDT-waarde in het eerste onderzoek, de verhoogde Gamma-GT-waarde in het tweede onderzoek, de vergrote lever, de waargenomen "kegel" en de geconstateerde matige controle van appellant over het gebruik van alcohol. De stelling van appellant dat de psychiater in het tweede onderzoek heeft aangegeven dat de verhoogde Gamma-GT-waarde beïnvloed zou kunnen zijn door het medicijngebruik van appellant, behoefde voor het CBR geen aanleiding te geven om tot een ander oordeel te komen, reeds omdat diezelfde psychiater gelet op zijn overige bevindingen heeft geconcludeerd dat sprake is van alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid. De stelling van appellant dat hij van kinds af aan een vergrote lever heeft gehad, vindt geen steun in de medische rapporten en is door appellant niet met enige medische verklaring onderbouwd. Het betoog van appellant faalt.

2.5.    Appellant heeft zich voorts beklaagd over het rapport dat over hem is opgesteld door een derde psychiater, dhr. Hazewinkel, in het kader van een door hem ingediende Eigen verklaring en het daarop volgende onderzoek of sprake is van een recidiefvrije periode van een jaar. Nu dit rapport niet ten grondslag heeft gelegen aan het besluit op bezwaar van 15 februari 2005, heeft de rechtbank dit rapport terecht om deze reden buiten beschouwing gelaten en zal ook de Afdeling dit rapport en daarmee appellants klacht daarover niet bij haar oordeel betrekken.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Broodman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

204-512.