Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4265

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200508060/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2005, kenmerk R/V&H/CVP, heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd in verband met de aanleg van een containerveld op het perceel, plaatselijk bekend als Rimpelaar 34 te Molenschot.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.2
Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/3835
JAF 2006/73 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508060/1

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Holding van Oosterwijk-Schoenmakers Bavel B.V.", gevestigd te Bavel,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2005, kenmerk R/V&H/CVP, heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd in verband met de aanleg van een containerveld op het perceel, plaatselijk bekend als Rimpelaar 34 te Molenschot.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft verweerder het besluit van 1 juni 2005 ingetrokken, de grondslag van de last gewijzigd en het bedrag van de dwangsom verhoogd.

Bij besluit van 7 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de last uitgebreid tot het mede verwijderen van de op de percelen opgerichte installatie.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij besluit van 20 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door appellante gemaakte bezwaar inzake de overtreding van voorschrift 8.2 van Bijlage I bij het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer alsnog gegrond verklaard en het besluit voor het overige gehandhaafd. Het beroep wordt geacht ook tegen dit besluit te zijn gericht.

Bij brief van 27 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. W.H. Lindhout, advocaat te Bergen op Zoom, en J.A.A.M. van Oosterwijck, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. B.F.J. Bollen, advocaat te Tilburg, en R. van der Velde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In het besluit van 15 juni 2005 is aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met het bestemmingsplan van de gemeente Gilze en Rijen "Buitengebied 1998", in strijd met artikel 40 van de Woningwet en in strijd met artikel 8.2 van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, voor de aanleg van een zogeheten containerveld ten behoeve van de plantenteelt een groot deel van het perceel tot ca. 1 meter heeft afgegraven en opgevuld met een laag asfaltgranulaat met een gemiddelde dikte van ca. 60 tot 70 cm, waarop een laag puin- of menggranulaat met een dikte van ca. 15 cm is aangebracht, dat weer is voorzien van een laagje gesloten asfalt van ca. 5 cm.

   Uit het besluit van 7 september 2005 in samenhang met het besluit van 20 september 2005 volgt dat de last onder dwangsom in die zin is gewijzigd dat - voor zover van belang - in plaats van strijd met artikel 8.2 van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer strijd met de artikelen 10.1, eerste lid, en 10.2, eerste lid, juncto 1.1.a van de Wet milieubeheer ten grondslag is gelegd aan de last onder dwangsom.

2.2.    Appellante voert aan dat zij in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet is gehoord voorafgaand aan het nemen van het besluit van 15 juni 2005, hetgeen verweerder heeft bevestigd.

   Nu appellante in de bezwaarfase is gehoord, is de Afdeling van oordeel dat zij door het gebrek niet in haar belangen is geschaad en dat de besluiten van 7 en 20 september 2005 met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht in stand kunnen worden gelaten. Deze grond slaagt niet.

2.3.    Ingevolge artikel 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

   Ingevolge artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is het verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

   Ingevolge artikel 1.1.a, eerste lid, van de Wet milieubeheer neemt een ieder voldoende zorg voor het milieu in acht.

   Ingevolge het tweede lid houdt de zorg in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

2.3.1.    Appellante betoogt dat deze artikelen niet worden overtreden. Zij voert daartoe aan dat het gebruikte asfalt-, puin- en menggranulaat een functionele fundering vormt voor het containerveld. Het gebruik van deze materialen is volgens haar een normaal gebruik als bouwstof.

2.3.2.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat in een geval als dit voor de fundering had kunnen worden volstaan met een laag asfalt-, puin- en menggranulaat met een dikte van ongeveer 15 centimeter. Vanwege de overdimensionering van de fundering is volgens verweerder het aanbrengen van asfaltgranulaat in strijd met de artikelen 10.1, eerste lid, en 10.2, eerste lid, in samenhang met artikel 1.1.a van de Wet milieubeheer.

2.3.3.    De Afdeling overweegt dat uit de stukken blijkt dat asfaltgranulaat afkomstig is van wegen die zijn aangelegd ten behoeve van de werkzaamheden aan de HSL. Het asfaltgranulaat is na voltooiing van die werkzaamheden vrijgekomen als productieresidu, zodat het als afvalstof is aan te merken.

   Met betrekking tot de gestelde overtreding van 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer stelt de Afdeling vast dat in de bestreden besluiten van 7 en 20 september 2005 niet is aangegeven wat de nadelige gevolgen zijn van het gebruik van asfaltgranulaat. Verder blijkt uit deze besluiten niet welke maatregelen appellante ten onrechte niet heeft genomen of nagelaten die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd teneinde nadelige gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Gelet hierop berust het besluit in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

   Ten aanzien van de gestelde overtreding van artikel 10.2, eerste lid, juncto artikel 1.1.a van de Wet milieubeheer overweegt de Afdeling dat verweerder zich in het besluit in eerste aanleg van 15 juni 2005 op het standpunt heeft gesteld, dat appellante op het perceel Rimpelaar 34 te molenschot een inrichting drijft waarop het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer van toepassing is. Verweerder is niet teruggekomen op dit standpunt. Ook de Afdeling is niet gebleken van omstandigheden waaruit volgt dat het hier niet gaat om een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. De aanleg van het containerveld is een verandering van de inrichting. Gelet hierop heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom dientengevolge artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt overtreden, nu deze bepaling het verbod om buiten een inrichting afvalstoffen te storten of in de bodem te brengen behelst. Verder zijn geen voldoende concrete feiten gesteld waaruit overtreding van de in artikel 1.1.a van de Wet milieubeheer neergelegde zorgplicht volgt. Gelet hierop berust het besluit ook in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.4.    Appellante heeft verder gronden aangevoerd met betrekking tot de omschrijving van de last onder dwangsom.

2.4.1.    De opgelegde last bepaalt ondermeer dat binnen een door verweerder opgelegde termijn het asfalt- en puin- of menggranulaat geheel is verwijderd en verwijderd wordt gehouden. De Afdeling oordeelt dat de thans opgelegde last in zoverre niet overeenstemt met de gestelde overtredingen van de Wet milieubeheer, omdat volgens verweerder de overtreding wordt veroorzaakt door de overdimensionering van de fundering van het containerveld. Het bestreden besluit berust ook in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.5.    Het beroep is gegrond. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd voor zover deze zien op overtreding van de artikelen 10.1, eerste lid, en 10.2, eerste lid, juncto 1.1.a van de Wet milieubeheer.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouder van Gilze en Rijen van 7 september 2005, kenmerk BJZ/SW, en 20 september 2005, kenmerk BJZ/SW, voor zover deze besluiten betrekking hebben op overtreding van de artikelen 10.1, eerste lid, en 10.2, eerste lid, juncto 1.1.a van de Wet milieubeheer;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouder Gilze en Rijen tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Gilze en Rijen aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Gilze en Rijen aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

191-456