Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200510524/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast om de zonder toestemming en/of vergunning in de Vaart ZZ afgemeerde woonboot binnen zes weken na verzending van deze brief te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510524/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/299 van de rechtbank Assen van 22 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast om de zonder toestemming en/of vergunning in de Vaart ZZ afgemeerde woonboot binnen zes weken na verzending van deze brief te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2005, verzonden op 23 november 2005, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 februari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, en het college, vertegenwoordigd door J.I. Muijsers en J.H. Mulder, beiden werkzaam bij de gemeente Emmen, bijgestaan door mr. E. Hardenberg, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2:12a, eerste lid, voor zover hier van belang, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Emmen (hierna: de APV) is het verboden met een vaartuig ligplaats in te nemen of te hebben op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

   Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, geldt het in het eerste lid bepaalde niet voor zover het Binnenvaartpolitiereglement van toepassing is.

   Ingevolge het besluit van het college van 6 mei 2003 geldt het in artikel 2:12a, eerste lid, genoemde verbod voor alle openbare wateren in de gemeente Emmen met uitzondering van de in het Dommerskanaal te Nieuw-Amsterdam gevestigde woonschepenhaven.

2.2.    Niet in geschil is dat de woonboot van appellant was gelegen in openbaar water, buiten de woonschepenhaven, zodat het in artikel 2:12a, eerste lid, van de APV bedoelde verbod van toepassing was. Dat zich bij die locatie het verkeersbord E7 uit bijlage 7 van het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: het BPR) bevond, volgens welk bord het is toegestaan ter plaatse tijdelijk af te meren, maakt dit niet anders. Het college heeft in dit verband met juistheid gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2004 inzake no. 200305663/1. De Afdeling begrijpt het derde lid van artikel 2:12a van de APV aldus dat het in het eerste lid opgenomen verbod slechts dan niet geldt wanneer daaraan hetzelfde motief ten grondslag ligt als aan het BPR. Dat is niet het geval. De in het BPR opgenomen bepalingen strekken blijkens artikel 1 en de toelichting daarop tot bescherming van de veiligheid en vlotheid van het scheepvaartverkeer op voor de scheepvaart openstaande openbare wateren. Vanuit dat oogpunt bestaan tegen het afmeren van een schip op deze locatie geen bezwaren. Dit betekent echter niet dat gelet op andere, door de APV beschermde belangen, waaronder de openbare orde, voor het verbod om op deze locatie ligplaats in te nemen met een woonboot, geen plaats meer is.  

2.3.    Nu vaststaat dat appellant voormeld verbod heeft overtreden kon het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat van concreet uitzicht op legalisatie geen sprake was. Vaststaat dat voor appellant geen ligplaats beschikbaar is in de woonschepenhaven en dat over de realisering van een tweede woonschepenhaven nog geen zekerheid bestaat.

De door appellant geschetste bijzondere omstandigheden kunnen evenmin leiden tot het oordeel dat het college van handhavend optreden had moeten afzien. Het college heeft het innemen van een ligplaats door appellant nadat hij vrijwillig voor vijf maanden uit de gemeente was vertrokken, als een nieuwe situatie mogen aanmerken, waardoor aan de vóór zijn vertrek uit de gemeente genoten gedoogstatus geen betekenis meer toekwam. De situatie van appellant onderscheidde zich in zoverre van die van [partij A], die in zijn nabijheid sinds langere tijd illegaal ligplaats inneemt. Weliswaar heeft appellant een door enkele bewoners van woonschepen in de buurt ondertekende verklaring overgelegd, volgens welke ook [partij A] gedurende enkele maanden in 2001 en 2002 elders ligplaats zou hebben ingenomen, maar hij heeft daarmee niet het standpunt van het college weerlegd dat dit niet [partij A] zelf betrof, maar diens huidige partner die destijds over een eigen woonschip elders beschikte. Het college heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat ook tegen de naast de boot van appellant gelegen woonboot van [partij B] wordt opgetreden. De rechtbank heeft derhalve terecht geconcludeerd dat niet kan worden geoordeeld dat het college na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot de onderhavige aanschrijving, zoals in bezwaar gehandhaafd, heeft kunnen komen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Haverkamp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

306.