Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200509181/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het in afwijking van een eerder verleende bouwvergunning uitbreiden van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509181/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/270 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 september 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het in afwijking van een eerder verleende bouwvergunning uitbreiden van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 februari 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 september 2005, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 november 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Vergunninghouder is in de gelegenheid gesteld om als partij deel te nemen aan dit geding, van welke gelegenheid hij geen gebruik heeft gemaakt.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2006, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Tuenter, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet in geschil is dat de uitbreiding van de woning in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Woldmeenthe" op het perceel rustende bestemmingen "Woonhuizen A" en "Tuinen", omdat de woning over de gehele gevelbreedte deels in de bestemming "Tuinen" wordt gerealiseerd en de grens van het bebouwingsvlak met circa twee meter wordt overschreden. Teneinde voor de uitbreiding van de woning niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro) vrijstelling verleend. Evenmin is in geschil dat het bouwplan voldoet aan de voorwaarden van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro.

2.2.    Het college heeft ter uitoefening van zijn vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO beleidsregels vastgesteld. Op grond van deze beleidsregels dient er een objectieve dringende reden te zijn om in een specifiek geval vrijstelling te verlenen. Het college heeft deze dringende reden in dit geval aanwezig geacht. Het college heeft daartoe overwogen dat door de gemeente op zeker moment werd geconstateerd dat vergunninghouder bij het realiseren van zijn bouwplan was afgeweken van de op 22 mei 2003 aan hem verleende bouwvergunning. Op het tijdstip waarop deze afwijking werd geconstateerd was een gedeelte van de woning reeds gerealiseerd. Het college heeft aangegeven in deze situatie gehouden te zijn te onderzoeken of legalisering mogelijk was gelet op alle relevante belangen. Dat niet legaliseren zou betekenen dat de in aanbouw zijnde woning gedeeltelijk zou moeten worden gesloopt, speelde in de overwegingen van het college een wezenlijke rol.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de omstandigheid dat vergunninghouder in afwijking van de bouwvergunning heeft gebouwd, niet kan worden aangemerkt als een objectieve dringende reden om vrijstelling te verlenen.

2.3.1.    Dit betoog slaagt. De omstandigheid dat, zoals het college ter zitting uiteen heeft gezet, het college wilde voorkomen dat vergunninghouder door zijn eigen handelwijze schade zou lijden, levert geen objectieve dringende reden op om vrijstelling te verlenen. Ook anderszins is niet gebleken van een objectieve dringende reden waarom in dit geval vrijstelling zou moeten worden verleend. Derhalve heeft het college, met het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, gehandeld in  strijd met bovengenoemde beleidsregels. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4.    Aan hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd, wordt, gelet op het voorgaande, niet toegekomen.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de beslissing op bezwaar van het college alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten, te weten reis-, verblijf- en verletkosten, te worden veroordeeld. Niet is gebleken van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 september 2005, AWB 05/270;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland van 9 februari 2005, kenmerk 0505-1754-BZ-HH;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 373,87 (zegge: driehonderddrieënzeventig euro en zevenentachtig cent); het dient door de gemeente Steenwijkerland aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Steenwijkerland aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

328-494.