Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4251

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200508690/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vorden (hierna: het college) aan appellante sub 2 vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een zendmast voor mobiele telefonie op het perceel Eikenlaan 15a te Vorden.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/3903
Module Ruimtelijke ordening 2006/1451
JOM 2007/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508690/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst,

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid T-mobile Netherlands B.V., gevestigd te Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nos. 05/1267 en 05/1268 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 7 september 2005 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend dan wel gevestigd te [plaats],

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vorden (hierna: het college) aan appellante sub 2 vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een zendmast voor mobiele telefonie op het perceel Eikenlaan 15a te Vorden.

Bij besluit van 21 juni 2005 heeft appellant sub 1, rechtsopvolger van het college, het daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en appellant sub 1 opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van 6 januari 2005. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 1 bij brief van 14 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellante sub 2 bij brief van 18 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 25 oktober 2005. Appellante sub 2 heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 7 november 2005. De brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 december 2005 heeft appellante sub 2 van antwoord gediend.

Bij brief van 28 december 2005 hebben [wederpartijen] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2006, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door G.H. Voerman, ambtenaar van de gemeente, appellante sub 2, vertegenwoordigd door drs. D. Bazuin, werkzaam bij appellante sub 2, en mr. V.A. Textor, advocaat te Amsterdam, en [wederpartijen], vertegenwoordigd door mr. M.H. Hogeman, advocaat te Zutphen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant sub 1, gelet op de omstandigheid dat door [wederpartijen] alternatieve locaties zijn aangedragen die aan de daaraan te stellen radiotechnische eisen voldoen en op de vrees van [wederpartijen] voor gezondheidsrisico's, onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties.

2.1.1.    Burgemeester en wethouders hebben eerst en vooral te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat bij hen is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De enkele stelling van [wederpartijen] dat een tweetal alternatieve locaties voldoet aan de daaraan te stellen radiotechnische eisen is daarvoor onvoldoende, te minder nu appellante sub 2 heeft aangegeven dat zij (nog) niet kan beschikken over die locaties.

   Het betoog slaagt.

2.2.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de voorzieningenrechter daarbij het door [wederpartijen] tegen het besluit van 21 juni 2005 ingestelde beroep gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd, appellant sub 1 heeft opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van 6 januari 2005, appellant sub 1 heeft veroordeeld in de proceskosten van [wederpartijen] tot een bedrag van € 644,00 en de gemeente Bronckhorst heeft gelast het door [wederpartijen] betaalde griffierecht van € 276,00 aan hen te vergoeden.

2.3.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank door [wederpartijen] ingestelde beroep tegen het besluit van 21 juni 2005 beoordelen.

2.4.    [wederpartijen] betogen dat appellant sub 1 niet bevoegd was ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: het Bro), vrijstelling te verlenen ten behoeve van het bouwplan.

2.4.1.    Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet in aanmerking een antenne-installatie als bedoeld in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunnnigplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb), in de bebouwde kom, mits de hoogte van de antenne, of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager als bedoeld in dat besluit, de hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen, gemeten vanaf de voet van de antenne, respectievelijk de antennedrager, niet meer is dan 40 m.

2.4.2.    Blijkens de bij de bouwvergunning behorende bouwtekeningen is een vergunning aangevraagd en verleend voor het plaatsen van een zendmast voor mobiele telefonie met een hoogte van 40,00 meter. Nu de hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen niet meer is dan 40,00 meter, wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro. Appellant sub 1 was dan ook bevoegd om ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro, vrijstelling te verlenen.

    Het betoog slaagt niet.

2.5.    [wederpartijen] betogen verder dat appellant sub 1, gelet op de door hen geuite vrees voor gezondheidsrisico's van UMTS-straling, niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.5.1.    Anders dan appellante sub 2 betoogt, heeft appellant sub 1 terecht de door [wederpartijen] geuite vrees voor gezondheidsrisico’s door UMTS-straling bij de belangenafweging betrokken nu uit de bouwvergunning en de daarbij behorende tekeningen kan worden opgemaakt en ook niet in geschil is dat aan de zendmast ook UMTS-antennes kunnen worden bevestigd. Niet kan evenwel staande worden gehouden dat appellant sub 1 in de door [wederpartijen] geuite vrees aanleiding had moeten vinden vrijstelling voor de zendmast te weigeren. Appellant sub 1 heeft in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij het standpunt van de regering dat de voorhanden zijnde onderzoeken thans geen aanleiding geven de plaatsing van UMTS-masten bij woonbebouwing te voorkomen en zich op het standpunt kunnen stellen dat, nu appellante sub 2 is gehouden apparatuur te gebruiken die voldoet aan de normen, waaronder de blootstellingslimieten, als bedoeld in het nationaal antennebeleid en het Convenant vergunningvrije antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie dat is gesloten tussen de vijf operators, waaronder appellante sub 2, en de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en Verkeer en Waterstaat en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, er geen reden is de vrijstelling te weigeren. Dat de door appellante sub 2 gebruikte apparatuur aan die normen voldoet, is onweersproken. Bovendien heeft appellante sub 2 een overeenkomst gesloten met de eigenaar van het perceel waarop de zendmast wordt opgericht, waarin is bepaald dat het appellante sub 2 niet is toegestaan in de mast een UMTS zend- of ontvangstinstallatie te installeren zonder goedkeuring van de eigenaar en dat de eigenaar slechts zijn medewerking mag verlenen als van overheidswege voldoende is aangetoond dat de straling van de UMTS zend- of ontvangstinstallatie niet schadelijk is voor de gezondheid. Het betoog faalt dan ook.

2.6.    [wederpartijen] betogen voorts dat appellant sub 1 zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan uit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is. Volgens hen leidt het bouwplan tot een onaanvaardbare visuele verontreiniging.

2.6.1.    Appellant sub 1 heeft het adviesbureau SAB (hierna: SAB) de vraag voorgelegd of de gevraagde zendmast op de beoogde locatie stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is. In het advies "Zendmast Kranenburg, gemeente Bronckhorst" van 1 april 2005 (hierna: het advies) heeft SAB geoordeeld dat een zendmast op iedere locatie een landschapsvreemd element is. Volgens SAB kenmerkt het landschap in de gemeente Bronckhorst zich door het kleinschalige en gefragmenteerde karakter, waardoor de zendmast wordt opgenomen in het landschap en vanaf een afstand nauwelijks zichtbaar is. SAB concludeert dat de zendmast op deze locatie aanvaardbaar is.

2.6.2.    Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De omstandigheid dat het rapport waarin het advies is neergelegd een topografische kaart bevat waarop slechts een gedeelte van de omgeving van de zendmast is weergegeven en dat, naar gesteld door [wederpartijen], de in dat rapport opgenomen bewerkte foto's niet geheel juist zijn, biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat SAB in haar advies uit is gegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. De omschrijving die in het advies wordt gegeven van de omgeving van de zendmast biedt daarvoor evenmin aanknopingspunten. Daarbij is van belang dat SAB ter plekke onderzoek heeft gedaan. Niet valt in te zien dat SAB onvoldoende kennis had van de feitelijke situatie. Ook het betoog van [wederpartijen] dat SAB buiten haar expertise is getreden door te overwegen dat in de omgeving van Kranenburg onvoldoende mogelijkheden zijn voor de verschillende aanbieders op het gebied van mobiele telefonie om de benodigde kwaliteit te kunnen bieden, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien die overweging, wat daar ook van zij, niet van betekenis is voor de eindconclusie van SAB. Nu [wederpartijen] niet hebben bestreden dat SAB ter zake deskundig is en zij geen op dit bouwplan betrekking hebbend tegenadvies hebben overgelegd op grond waarvan aan de juistheid van het advies moet worden getwijfeld, mocht appellant sub 1 het advies ten grondslag leggen aan zijn standpunt dat het bouwplan uit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is. Gelet hierop en op de adviezen van adviesbureau Pouderoyen van 22 oktober 2003 en het Gelders Genootschap van 27 april 2004, heeft het college in de stelling van [wederpartijen] dat het bouwplan leidt tot visuele verontreiniging in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de vrijstelling te weigeren.

   Het betoog faalt.

2.7.    Voor zover [wederpartijen] stellen dat de antenne-installatie leidt tot meer blikseminslagen in de omgeving van de installatie, hebben zij die stelling op geen enkele wijze onderbouwd. In die stelling is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat appellant sub 1 niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van vrijstelling. In de stelling dat appellante sub 2 haar antennes zou kunnen plaatsen in bestaande antenne-installaties van andere aanbieders van mobiele telefonie is evenmin grond gelegen voor het oordeel dat appellant sub 1 niet in redelijkheid doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen aan de belangen van appellante sub 2 en vrijstelling ten behoeve van het bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.8.    [wederpartijen] betogen ten slotte dat appellant sub 1 ten onrechte aan appellante sub 2 een lichte bouwvergunning voor het bouwplan heeft verleend.

2.8.1.    Het betoog slaagt. Appellant sub 1 heeft aan appellante sub 2 een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een zendmast voor mobiele telefonie met een hoogte van 40 meter. Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bblb kan een lichte bouwvergunning evenwel slechts worden verleend voor zendmasten waarvan de hoogte minder dan 40 meter is. Gelet hierop is voor het bouwplan een reguliere bouwvergunning vereist. Appellant sub 1 heeft dan ook ten onrechte een lichte bouwvergunning verleend.

2.9.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 21 juni 2005 dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de aan appellante sub 2 verleende lichte bouwvergunning voor het plaatsen van een zendmast voor mobiele telefonie is gehandhaafd. Appellant sub 1 dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het door [wederpartijen] tegen het besluit van 30 november 2004 gemaakte bezwaar.

2.10.    Appellant sub 1 dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 7 september 2005, 05/1268, voor zover de voorzieningenrechter daarbij het door [wederpartijen] tegen het besluit van 21 juni 2005 ingestelde beroep gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd, appellant sub 1 heeft opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van 6 januari 2005, appellant sub 1 heeft veroordeeld in de proceskosten van [wederpartijen] tot een bedrag van € 644,00 en de gemeente Bronckhorst heeft gelast het door [wederpartijen] betaalde griffierecht van € 276,00 aan hen te vergoeden;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van appellant sub 1 van 21 juni 2005, 05/0972, voor zover daarbij de aan appellante sub 2 verleende lichte bouwvergunning voor het plaatsen van een zendmast voor mobiele telefonie is gehandhaafd;

V.    veroordeelt appellant sub 1 tot vergoeding van de bij appellante sub 2 in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bronckhorst aan appellante sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    veroordeelt appellant sub 1 tot vergoeding van de bij [wederpartijen] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bronckhorst aan [wederpartijen] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de gemeente Bronckhorst aan appellante sub 2 het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 414,00 (zegge: vierhonderdveertien euro) vergoedt.

VIII.    gelast dat de gemeente Bronckhorst aan [wederpartijen] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van Heusden

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

163-457.