Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200509282/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 7 juni 2005 heeft appellant (hierna: de RDW) de aan [wederpartij sub 1] verleende keuringsbevoegdheid als bedoeld in artikel 85a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna de WVW 1994) ingetrokken voor de duur van zes weken en de aan [wederpartij sub 2] verleende erkenning als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de WVW 1994 ingetrokken voor de duur van twaalf weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509282/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. 05/1347, 05/1348, 05/1349 en 05/1350 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 4 oktober 2005 in het geding tussen:

1.    [wederpartij sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [wederpartij sub 2]., gevestigd te [plaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 7 juni 2005 heeft appellant (hierna: de RDW) de aan [wederpartij sub 1] verleende keuringsbevoegdheid als bedoeld in artikel 85a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna de WVW 1994) ingetrokken voor de duur van zes weken en de aan [wederpartij sub 2] verleende erkenning als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de WVW 1994 ingetrokken voor de duur van twaalf weken.

Bij afzonderlijke besluiten van 8 augustus 2005 heeft de RDW de daartegen door [wederpartij sub 1 en sub2] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 oktober 2005, verzonden op 5 oktober 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) de daartegen door [wederpartij sub 1 en sub 2] ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief van 8 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 december 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 januari 2006 hebben [wederpartij sub 1 en sub 2] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2006, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. R. Bal, werkzaam bij de RDW, en [wederpartij sub 1 en sub 2], vertegenwoordigd door mr. A.M. van Dusseldorp, advocaat te Apeldoorn, en [directeur], zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a, van de WVW 1994 wordt een keuringsbewijs door degene die ingevolge artikel 78 met de afgifte van keuringsrapporten is belast, afgegeven op aanvraag en tegen betaling op de door deze vastgestelde wijze van het door deze vastgestelde tarief indien het motorrijtuig of de aanhangwagen heeft voldaan aan de eisen die ingevolge artikel 71 voor wat betreft bouw, inrichting en staat van onderhoud aan dat voertuig worden gesteld, voor zover deze eisen niet ingevolge het tweede lid buiten toepassing blijven.

   Ingevolge artikel 76, derde lid,van de WVW 1994 kunnen bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop wordt onderzocht of een voertuig voldoet aan de in artikel 75 bedoelde eisen, alsmede omtrent hetgeen verder met betrekking tot de behandeling van de aanvraag van een keuringsrapport noodzakelijk is.

   Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend in strijd met de eisen, bedoeld in artikel 75, eerste lid, onderdeel a, of de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, een keuringsbewijs afgeeft voor een motorrijtuig of een aanhangwagen.

   Ingevolge artikel 87a, tweede lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 kan de Dienst Wegverkeer de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen intrekken of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen, indien degene aan wie de bevoegdheid is verleend in strijd met de regels, bedoeld in artikel 76, derde lid, een voertuig aan een onderzoek onderwerpt.

2.2.    Op 12 mei 2005 is door [wederpartij sub 1], die werkzaam is bij [wederpartij sub 2], een auto goedgekeurd en afgemeld. Na de afmelding is de auto door een steekproefcontroleur van de RDW gecontroleerd. Tijdens deze controle is de remklauw links voor de remslang gebroken bij het uitvoeren van een drukproef. Naar aanleiding van dit geconstateerde gebrek zijn de erkenning van [wederpartij sub 2] en de keuringsbevoegdheid van [wederpartij sub 1] door de RDW ingetrokken.

2.3.    In beroep zijn beide beslissingen op bezwaar vernietigd omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de rapportage van de steekproefcontroleur niet blijkt dat de keuring door [wederpartij sub 1] niet op juiste wijze is uitgevoerd. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit dat rapport niet valt op te maken dat de steekproefcontroleur door middel van de voorgeschreven visuele controle gebreken in de bevestiging van de onderdelen van de reminrichting of lekkage van de remleidingen heeft vastgesteld. Blijkens de rapportage heeft de steekproefcontroleur eerst nadat tijdens de drukproef de remslang uit de remklauw is gebroken, geconstateerd dat de schroefdraad van de remklauw volledig weg was. Gesteld noch gebleken is dat zulks door [wederpartij sub 1] had moeten worden vastgesteld nu volstaan kon worden met een visuele controle. Hierdoor zijn beide besluiten naar het oordeel van de voorzieningenrechter genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.    In hoger beroep komt de RDW op tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter. Naar de mening van de RDW is het doel van de steekproefcontrole vaststellen of het voertuig aan de keuringseisen voldoet en niet, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, beoordelen of de keuring door [wederpartij sub 1] op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Nu na de herkeuring door de steekproefcontroleur bleek dat het voertuig niet aan de eisen voldeed, en verder geen sprake is van bijzondere omstandigheden, staat daarmee vast dat [wederpartij sub 1] ten onrechte de auto heeft afgemeld, aldus de RDW. Voorts stelt de RDW zich op het standpunt dat de herkeuring niet onjuist is uitgevoerd.

2.5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 17 juli 2002 in zaak no. 200105943/1, staat tegen de weigering van afgifte van het keuringsbewijs ingevolge artikel 90, eerste lid, van de WVW 1994 bezwaar of administratief beroep bij de Dienst Wegverkeer open, waarbij de in de herkeuring geconstateerde gebreken, de kwalificatie daarvan en de toegekende strafpunten aan de orde kunnen worden gesteld. Reeds omdat [wederpartij sub 1 en sub 2] en hiervan geen gebruik hebben gemaakt, staan de gebreken, de kwalificatie daarvan en de toegekende strafpunten in rechte vast, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen.

   Indien juist zou zijn dat de steekproefcontroleur heeft medegedeeld dat geen verdergaande maatregelen zouden volgen dan de toekenning van strafpunten, konden [wederpartij sub 1 en sub 2] daaraan niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat verdergaande maatregelen van de zijde van de RDW achterwege zouden blijven, reeds omdat de steekproefcontroleur ter zake niet beslissingsbevoegd is. Dat zij hebben afgezien van het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de weigering het keuringsbewijs af te geven, komt daarom voor hun risico. De voorzieningenrechter is dan ook ten onrechte getreden in de wijze waarop de herkeuring is verricht.

   Het bestreden oordeel van de voorzieningenrechter gaat voorts uit van een onjuiste rechtsopvatting. Als uitkomst van de herkeuring is in dit geval vast komen te staan dat de auto een gebrek vertoonde. Deze uitkomst is maatgevend voor het resultaat waartoe de keuring had behoren te leiden, tenzij tijdens de herkeuring schade ontstaat die in redelijkheid niet geacht kan worden het gevolg te zijn van een correct verrichte herkeuring en dus bij een correcte keuring niet kon ontstaan en die toch tot afkeuring noopte. Hiervan is niet gebleken. Het betoog van [wederpartij sub 1 en sub 2] dat ten onrechte is herkeurd in de hoogste rijstand vormt geen grond voor het oordeel dat de herkeuring niet correct is uitgevoerd, omdat uit de door hen overgelegde brief van Citroën Nederland BV van 19 juli 2005 blijkt dat, hoewel Citroën Nederland BV adviseert de drukproef in de normale rijstand te laten plaatsvinden, de auto ook in de hoogste stand kan rijden en het remsysteem een drukproef in deze rijstand zou moeten kunnen doorstaan.

   Gelet hierop volgt de Afdeling [wederpartij sub 1 en sub 2] niet in hun in beroep naar voren gebrachte betoog dat hun met betrekking tot de wijze van keuring niets verweten zou kunnen worden.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beroepen bij de rechtbank zelf behandelen.

2.7.    Hetgeen [wederpartij sub 1 en sub 2] in beroep hebben betoogd komt neer op een bestrijding van het resultaat van de herkeuring. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de juistheid van dit resultaat in deze procedure echter niet meer aan de orde. Anders dan [wederpartij sub 1 en sub 2] menen is bij intrekking van de erkenning of keuringsbevoegdheid geen sprake van oplegging van een punitieve sanctie. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraken van 20 juli 2005 in zaak no. 200406223/1 en 2 november 2005 in zaak no. 200409073/1. Terecht heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de aan [wederpartij sub 1 en sub 2] opgelegde maatregelen in overeenstemming zijn met het door de RDW gevoerde beleid. In hetgeen door [wederpartij sub 1 en sub 2] overigens naar voren is gebracht zijn geen bijzondere feiten en omstandigheden gelegen op grond waarvan in dit geval in afwijking van dit beleid van het opleggen van een maatregel zou moeten worden afgezien.

2.8.    De door [wederpartij sub 1 en sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroepen dienen alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 oktober 2005, 05/1347, 05/1348, 05/1349 en 05/1350;

II.    verklaart de door [wederpartij sub 1en sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006.

176-512.