Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200510589/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) een aanvraag van appellant om verlening van een monumentenvergunning voor de reeds gerealiseerde wijziging van de ramen aan de achterzijde van het aan hem in eigendom toebehorende appartement aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510589/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/58 WW44 van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) een aanvraag van appellant om verlening van een monumentenvergunning voor de reeds gerealiseerde wijziging van de ramen aan de achterzijde van het aan hem in eigendom toebehorende appartement aan de [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 23 november 2004 heeft dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2005, verzonden op 18 november 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 februari 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2006, waar appellant, bijstaan door mr. J.S.O. den Houting, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. N. Boelens, ambtenaar bij het stadsdeel Amsterdam-Centrum, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de wet) houdt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor elke gemeente een register aan van de beschermde monumenten. In het register schrijft hij de monumenten in die hij heeft aangewezen, voor zover geen beroep tegen die aanwijzing is ingesteld of een beroep is afgewezen.

       Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de wet, is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:    

       a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

       b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

2.2.        Appellant heeft een aanvraag ingediend om verlening van een monumentenvergunning voor de reeds gerealiseerde wijziging van de ramen aan de achterzijde van het aan hem in eigendom toebehorende appartement aan de [locatie] te [plaats]. Het pand waar het appartement deel van uit maakt is als monument in de zin van artikel 6 van de wet aangewezen en op 9 juni 1970 ingeschreven in het register van beschermde monumenten. De daarin opgenomen omschrijving van het pand luidt:

       "Pand, waarvan de rechterhelft een gevel triglyfenlijst uit XVIII A heeft, met hierheen overgeplaatst poortje van het O.Z. Herenlogement (1647) en de linkerhelft een XIX aan de vorige aangepaste gevel, waarboven de triglyfenlijst is doorgetrokken".

2.2.1.    De Rijksdienst voor de Monumentenzorg (hierna: de Rijksdienst) heeft ten zake van de onderhavige verandering op 18 juni 2004 negatief geadviseerd. Volgens de Rijksdienst waren de reeds vervangen ramen hoogstwaarschijnlijk de oorspronkelijke, betekent het wijzigen van de ramen een aantasting van de monumentale waarde van het pand, en is de gekozen vorm op geen enkele wijze historisch te verantwoorden. Daarnaast waren de vroegere schuiframen bij uitstek passend bij de architectuur van de achtergevel, in tegenstelling tot de 'kruiskozijnen' met laaggeplaatst kalf.

2.2.2.    De Commissie voor Welstand en Monumenten (hierna: de Commissie) heeft ter zake van de onderhavige verandering op 18 februari 2004 respectievelijk 12 mei 2004 eveneens negatief geadviseerd. De Commissie is van mening dat de raamindeling a-typisch is voor de architectonische stijl van het pand en dat het evenwicht en de samenhang in de achtergevel door zowel de indeling als de kleurstelling ernstig is verstoord.

   Ook na aanpassing van de kleurstelling door appellant blijft de Commissie van mening dat de omgekeerde ramen en het stolpraam leiden tot een te grote verstoring van het gevelbeeld.

2.3.        Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de adviezen van de Rijksdienst en de Commissie op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, dan wel dusdanige gebreken vertonen, dat het dagelijks bestuur deze niet aan het besluit van 23 november 2004 ten grondslag heeft mogen leggen. Appellant wijst er in dit verband allereerst op dat uit de redengevende omschrijving blijkt dat het pand louter vanwege de voorgevel op de monumentenlijst is geplaatst, en dat ingevolge het door de Rijksdienst gevoerde beleid zonder meer een vergunning wordt verleend voor wijzigingen van een object die niet van invloed zijn op het onderdeel waar de bescherming zich op richt.

2.3.1.    Het betoog slaagt niet. Dat alleen de beschrijving van de voorgevel in de redengevende omschrijving is opgenomen rechtvaardigt niet de conclusie dat het pand alleen vanwege die gevel op de monumentenlijst is geplaatst. In dit verband wordt nog gewezen op de hierna aangehaalde passage over deze kwestie in het bericht van de Commissie van 31 maart 2005: 'De bewering dat alleen de voorgevel beschermd zou zijn is onjuist. Op het moment dat de lijst van beschermde monumenten werd vastgesteld (begin jaren zestig) werden in verband met de grote hoeveelheid aan te wijzen monumenten alleen heel summiere beschrijvingen van de voorgevel in de redengevende omschrijving opgenomen. In de Monumentenwet staat echter duidelijk dat het gaat om alle onderdelen die de leeftijd van vijftig jaar of ouder hebben, en in dit geval is de achtergevel duidelijk ouder dan vijftig jaar". De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit de redengevende omschrijving niet kan worden afgeleid dat alleen de voorgevel van het pand als beschermingswaardig is aangemerkt.

2.4.        Appellant betoogt voorts dat beide adviserende instanties ten onrechte er van zijn uitgegaan dat de achtergevel zich in de oorspronkelijke staat bevond. Daarbij is gewezen op de vele wijzigingen die zijn aangebracht op grond van een monumentenvergunning. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit betoog geen doel kan treffen. Het dagelijks bestuur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat de inmiddels vervangen ramen niet authentiek zijn niet relevant is. De Rijksdienst en het bureau Monumenten en Archeologie hebben in een nadere toelichting op hun adviezen bij berichten van 9 augustus 2004 respectievelijk 31 maart 2005 aangegeven dat het voor de beoordeling van het monumentale beeld niet relevant is of de inmiddels vervangen ramen al dan niet authentiek zijn. De omstandigheid dat in het recente verleden vele wijzigingen in de achtergevel hebben plaatsgevonden, laat onverlet dat de destijds aangebrachte wijzigingen het monumentale beeld kennelijk niet verstoorden en dat de onderhavige gekozen wijzigingen, wat vorm en indeling betreft, dat beeld naar het oordeel van de Rijksdienst en de Commissie wel verstoren.    

2.5.        Voorts klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het door hem in de beroepsprocedure overgelegd deskundigenrapport van architect ir. P. van der Ree van 20 februari 2005, waarin wordt geconcludeerd dat met de wijziging geen structurele wijziging wordt aangebracht in de gevelcompositie.

2.5.1.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet is gebleken dat de adviezen van de Commissie en de Rijksdienst naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat het dagelijks bestuur deze in redelijkheid niet aan het besluit van 23 november 2004 ten grondslag heeft mogen leggen, alsmede dat de conclusies van het door appellant overgelegde deskundigenrapport het dagelijks bestuur niet noopten tot een ander oordeel. De Rijksdienst en de Commissie hebben gemotiveerd  aangegeven waarom zij in dit deskundigenrapport geen aanleiding zien om het eerder uitgebrachte advies te wijzigen. Bij brief van 31 maart 2005 heeft de Rijksdienst medegedeeld dat er in het deskundigenrapport geen nieuwe informatie naar voren is gekomen die tot een ander standpunt zou kunnen leiden. Voorts heeft de Commissie bij het reeds genoemde bericht van dezelfde datum aangegeven dat, anders dan waar het deskundigenrapport kennelijk vanuit gaat, bij de beoordeling van het monumentaal beeld niet relevant is dat de reeds vervangen ramen niet authentiek zijn, maar dat het monumentale beeld door de nu gekozen oplossing wordt verstoord; het maken van een kalf in het onderste deel van het raam en het wijzigen van dat raam van een schuifraam in een draairaam is een onacceptabele aantasting van het historische beeld. Het betoog faalt.

2.6.        Appellant klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur bij het nemen van het besluit van 23 november 2004 onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het door hem aangevoerde belang bij vervanging van de ramen in verband met gebrekkige ventilatie en reinigingsmogelijkheden.

2.6.1.    Dat betoog faalt evenzeer. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door appellant gestelde belang niet kan leiden tot het oordeel dat in weerwil van de negatieve adviezen van de Rijksdienst en de Commissie niettemin een vergunning aan appellant had moeten worden verleend. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat reeds bij aankoop door appellant van het appartement sprake was van gebrekkige ventilatie- en reinigingsmogelijkheden en dit soort problemen ook op andere wijze kunnen worden opgelost dan door het plaatsen van juist deze ramen.

2.7.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

344.