Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200510200/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) de aanvraag van appellant (hierna: de gemeente) voor een eenmalige uitkering ter bestrijding van regionale wateroverlast afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510200/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de gemeente Gulpen-Wittem,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1853 van de rechtbank Maastricht van 8 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) de aanvraag van appellant (hierna: de gemeente) voor een eenmalige uitkering ter bestrijding van regionale wateroverlast afgewezen.

Bij besluit van 17 september 2004 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door de gemeente ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeente bij brief van 14 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 februari 2006 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2006, waar de gemeente, vertegenwoordigd door mr. L.L.F. Wassen, advocaat te Maastricht, en ing. W.J.H. Dumoulin, ambtenaar bij de gemeente, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.L.N. Sugiharto-Ong en mr. M. Dekker, beiden ambtenaar bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke regeling eenmalige uitkering bestrijding regionale wateroverlast (hierna: de Regeling), voor zover hier van belang, kunnen gemeenten ter stimulering van de uitvoering van activiteiten met het oog op de bestrijding van regionale wateroverlast een eenmalige specifieke uitkering verkrijgen als tegemoetkoming in de kosten van een uitvoeringsplan.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Regeling, voor zover hier van belang, bedraagt het totale bedrag van de op grond van deze regeling te verlenen uitkeringen € 97 miljoen. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt op de aanvragen in volgorde van ontvangst beslist.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Regeling, voor zover hier van belang, wordt de aanvraag voor een uitkering door een gemeente ingediend met behulp van het door de Minister vastgestelde aanvraagformulier.

   Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder c en e, van de Regeling gaat de aanvraag vergezeld van de begroting per project (uitgesplitst naar hoofdposten) en van een overzicht van de financierende partijen die de begroting dekken.

   Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder g, van de Regeling wordt de uitkering niet verleend indien er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat betrokkenen de uitvoering van het project dan wel de projecten, opgenomen in het uitvoeringsplan, niet kunnen financieren.

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Regeling wordt door de Minister op de aanvragen in volgorde van ontvangst beslist, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de datum waarop de aanvraag is aangevuld geldt als datum van ontvangst.

   Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

   Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

   Op het formulier voor het aanvragen van de in geding zijnde uitkering diende de gemeente onder punt 5.5.2. te beantwoorden de vraag "Hoeveel dragen de aanvrager, de medeaanvragers en eventuele derden zelf bij?". Bij deze vraag is vermeld dat van de projecten die het eerste jaar uitgevoerd gaan worden aangetoond moet zijn dat dit geld is gereserveerd in de begroting van het betreffende jaar; van de projecten die in een later stadium uitgevoerd gaan worden moet aangetoond zijn dat geld is gereserveerd in de meerjarenbegroting/planning.

2.2.    In hoger beroep is nog slechts in geschil of de Staatssecretaris de gemeente terecht met toepassing van artikel 4:5 van de Awb om aanvulling van zijn aanvraag heeft verzocht. De gemeente heeft in dat verband betoogd dat zijn aanvraag, zoals die op 1 april 2004 bij het ministerie is ingekomen, ten onrechte als onvolledig is aangemerkt.

2.3.    Gelet op hetgeen bij punt 5.5.2. van het aanvraagformulier was vermeld ter zake van de vraag hoeveel de gemeente zelf bijdraagt aan het uitvoeringsplan, was op voorhand duidelijk dat de gemeente niet kon volstaan met het invullen van een bedrag, maar dat tevens aan de hand van stukken moest worden aangetoond dat de eigen bijdrage was gereserveerd in de gemeentelijke begroting. Nu de gemeente bij het aanvraagformulier dienaangaande geen stukken had meegezonden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat voor de beoordeling van de aanvraag essentiële gegevens ontbraken, zodat toepassing gegeven kon worden aan artikel 4:5 van de Awb. Anders dan de gemeente meent, staat die weg niet slechts open, indien bij wettelijk voorschrift vereiste gegevens ontbreken. Immers, het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb is evenzeer van toepassing indien - zoals in dit geval - de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

   Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de gemeente in de aanvraag nog wel heeft vermeld dat de eigen bijdrage in de begroting voor 2004 - in het bijzonder het gemeentelijke rioleringsplan - is vastgelegd. Voor zover de gemeente zich op het standpunt heeft gesteld dat het meesturen van de gemeentelijke begroting noch het rioleringsplan de benodigde duidelijkheid zouden hebben gegeven, omdat daarin het uitvoeringsplan niet uitdrukkelijk is genoemd, merkt de Afdeling op dat het op de weg van de gemeente had gelegen een en ander op het formulier te vermelden. Nu hij dit achterwege heeft gelaten kon de Staatssecretaris daarmee bij zijn beoordeling van de aanvraag geen rekening houden.

2.4.    De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat nu op de datum waarop de gemeente de aanvraag met nadere stukken heeft aangevuld, te weten 19 april 2004, het voor de Regeling beschikbare budget reeds was uitgeput, de Staatssecretaris de aanvraag van de gemeente terecht op die grond heeft afgewezen. Of de Staatssecretaris de aanvraag na ontvangst van de nadere stukken - zoals hij heeft gedaan - als compleet kon aanmerken is niet van betekenis. Aan inhoudelijke beoordeling van dit door de Staatssecretaris in zijn brief van 21 april 2004 aan de gemeente ingenomen standpunt komt de Afdeling derhalve niet toe.

2.5.    Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

47-420.