Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4234

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200509564/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college) een verzoek van appellante om de ten behoeve van de exploitatie van een kampeerterrein aan [locatie] te [plaats] aan [belanghebbende] verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" en ontheffing in te trekken afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509564/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/623 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 september 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college) een verzoek van appellante om de ten behoeve van de exploitatie van een kampeerterrein aan [locatie] te [plaats] aan [belanghebbende] verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" en ontheffing in te trekken afgewezen.

Bij uitspraak van 29 september 2005, verzonden op 4 oktober 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 25 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 19 juni 2006 heeft belanghebbende desgevraagd te kennen gegeven dat zij als partij aan het geding wenst deel te nemen.

Na beëindiging van het vooronderzoek zijn van de zijde van appellante nog stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], het college, vertegenwoordigd door mr. I. van Asten, ambtenaar der gemeente, en belanghebbende in persoon, bijgestaan door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 10 augustus 1999 is aan belanghebbende krachtens artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) ontheffing verleend voor het plaatsen en geplaatst houden van tien kampeermiddelen in de jaarlijkse periode van 15 maart tot 1 november, waarbij het aantal van 1 mei tot en met 15 september mag worden uitgebreid tot maximaal vijftien.

    Voorts is haar daarbij krachtens artikel 12.3.3 van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" vrijstelling verleend ten behoeve van een beperkte verblijfsrecreatieve functie in de vorm van kamperen met niet meer dan vijftien kampeereenheden, uitsluitend met kampeermiddelen in de vorm van tenten, kampeerauto's of caravans, en uitsluitend in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober.

2.2.    Bij brief van 10 november 2004 heeft appellante verzocht om intrekking van voormeld besluit van 10 augustus 1999. Dat verzoek is bij het besluit van 3 februari 2005 afgewezen.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat het beroep van appellante tegen het besluit van 3 februari 2005 tot afwijzing van het verzoek om intrekking van de aan belanghebbende verleende ontheffing er niet toe kan leiden dat het beroep beoordeeld wordt, als ware het ingesteld tegen het besluit van 10 augustus 1999, dat in rechte onaantastbaar is.

    Volgens haar kan het slechts leiden tot beantwoording van de vraag of zich na het nemen van het ontheffings- en het vrijstellingsbesluit nieuwe feiten of bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, die het college aanleiding hadden moeten geven om van deze besluiten terug te komen en is de conclusie dat van dergelijke nova niet gebleken is.

2.4.    Appellante klaagt dat, nu het vrijstellings- en ontheffingsbesluit in strijd is met het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998", dit besluit ertoe leidt dat de rechtszekerheid van de gemeenschap in ernstige mate wordt aangetast. Door aldus te overwegen, heeft de rechtbank volgens haar miskend dat de rechtszekerheid van de gemeenschap dient te prevaleren boven die van belanghebbende.

2.5.    Dit betoog faalt. Het besluit van 10 augustus 1999 is in rechte onaantastbaar. Langs de weg van het instellen van beroep tegen de weigering om het in te trekken kan niet worden bereikt dat het alsnog op rechtmatigheid wordt onderzocht.  Een andere opvatting zou de betekenis ontnemen aan de wettelijke bepalingen die er in voorzien dat tegen een besluit slechts gedurende een beperkte tijd in rechte kan worden opgekomen. Voor zover appellante stelt dat het in strijd is met het bestemmingsplan, heeft zij geen nieuw feit of veranderde omstandigheid gesteld, waarin het college aanleiding had moeten zien om ervan terug te komen.

2.6.    Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006.

176-384.