Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200509814/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 31 oktober 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509814/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Bont voor Dieren", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 31 oktober 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 december 2005.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door E. Kramer en M. van Gils, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Appellante betoogt dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; hierna: de Vogelrichtlijn) en de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn). Zij voert aan dat verweerder geen zekerheid heeft verkregen dat de onderhavige inrichting geen significante gevolgen heeft voor de kwaliteit van het in de nabijheid van de inrichting gelegen natuurgebied, de Deurnese Peel. Appellante wijst erop dat het onderzoek dat is neergelegd in het rapport "Effecten op de Speciale Beschermingszone 'Mariapeel en Deurnese Peel' als gevolg van de nieuwe bedrijfsopzet op het adres [locatie] te [plaats]" (hierna: het rapport) tekortschiet, nu daarbij geen rekening is gehouden met andere plannen en projecten en nu in het rapport van een te hoge kritische depositiewaarde is uitgegaan. Appellante merkt daarbij op dat het natuurgebied vooral belangrijk is als hoogveengebied, met voorts heidevegetaties en nog bosvegetaties, met name berkenbroekbos, waarvoor veel lagere kritische depositiewaarden gelden. Daarmee is ten onrechte geen rekening gehouden. Het rapport schiet volgens appellante verder tekort nu van diverse relevante op grond van de Vogelrichtlijn beschermde vogelsoorten, waarvan de broed- en fourageergebieden gevoelig zijn voor verzuring en/of vermesting, niet bekend is of het gebied "De Bult" een functie voor hen heeft. Voorts stelt appellante dat de kritische depositiewaarde op het onderhavige gebied reeds fors wordt overschreden vanwege de grote totale ammoniakbelasting in de regio en dat door de uitbreiding van de onderhavige inrichting de kritische depositiewaarde niet meer haalbaar zal zijn.

2.3.    Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005, in zaak no. 200408657/1, een rapport laten opstellen waarin de effecten op het natuurgebied "Mariapeel en Deurnese Peel" als gevolg van de nieuwe bedrijfsopzet van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting zijn berekend. Het gebied "De Bult" is het daarvan deel uitmakende, relevante gebied. Als mitigerende maatregel is daarbij betrokken de op 25 oktober 2005 gedeeltelijk ingetrokken milieuvergunning met betrekking tot de inrichting aan de Goorsebergweg 11 te Deurne. Gelet op de conclusies van het rapport is het volgens verweerder niet waarschijnlijk dat er sprake is van significante invloed op het gebied "De Bult". Er bestaat naar de mening van verweerder dan ook geen aanleiding om de gevraagde vergunning te weigeren.

2.3.1.    Bij beschikking van 7 december 2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (Pb L 387) is het natuurgebied "Mariapeel en Deurnese Peel" geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang, waarop gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven. Zodra een gebied op deze lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn.

   Bij besluit van 12 mei 1992, kenmerk J.927234, is het natuurgebied "Deurnese Peelgebied", waar het natuurgebied "De Bult" deel van uit maakt, aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn.

   Ingevolge artikel 7 van de Habitatrichtlijn geldt voor deze speciale beschermingszone het beschermingsregime van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven nadat zij zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.

   Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2004, zaak C-127/02, JM 2004/112, volgt dat wanneer een nationale rechter moet nagaan of de toestemming voor een plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtmatig is verleend, hij kan toetsen of de door deze bepaling aan de beoordelingsmarge van de bevoegde nationale autoriteiten gestelde grenzen in acht zijn genomen, ook als de bepaling niet in de rechtsorde van de betrokken lidstaat is omgezet ofschoon de daartoe gestelde termijn is verstreken.

2.3.2.    In het onderhavige geval is sprake van een plan of project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het onderhavige natuurgebied.

2.3.3.    Blijkens genoemd arrest dient te worden bezien of verweerder op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor het onderhavige natuurgebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied.

2.3.4.    Verweerder heeft zich voor het verlenen van de gevraagde vergunning, voor zover het de Vogel- en Habitatrichtlijn betreft, gebaseerd op het rapport. Naar het oordeel van de Afdeling schiet het onderzoek zoals dat is neergelegd in het rapport op verschillende punten te kort. In het rapport zijn de effecten van de onderhavige inrichting onderzocht op de in het Habitatgebied gelegen kwalificerende habitattypen EU-code 2310 (Psammomofiele heide met Calluna en Genista), EU-code 4010 (Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix) en EU-code 7120 (Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is) en de kwalificerende en overige relevante vogelsoorten blauwborst, nachtzwaluw, dodaars, roodborsttapuit en toendrarietgans. Uit het in rechtsoverweging 2.3.1 genoemde besluit van 12 mei 1992, kenmerk J.927234, waarbij het natuurgebied "Deurnese Peelgebied" (waar het natuurgebied "De Bult" deel van uitmaakt) is aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn, blijkt dat de voor de aanwijzing kwalificerende en overige relevante soorten vogels zijn de blauwborst, de nachtzwaluw en de toendrarietgans. In een overzicht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is de status gegeven van het Habitatgebied "Mariapeel en Deurnesepeel". Daaruit blijkt dat de kwalificerende habitattypen zijn 7120 (Aangetast hoogveen waar natuurlijke regeneratie nog mogelijk is), 4010 (Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix) en 4030 (Droge Europese heide). Dit laatste habitattype is niet meegenomen in de beoordeling in het rapport. Bovendien zijn de effecten van de bij het bestreden besluit vergunde toename van de ammoniakemissie en -depositie voor de nachtzwaluw en de toendrarietgans niet beoordeeld; blijkbaar omdat de opstellers van het rapport niet beschikten over gegevens over deze vogels, voor zover zij in het gebied "De Bult" voorkomen. Daarmee is voorbijgegaan aan het feit dat dit habitattype en deze vogelsoorten voor de aanwijzing als kwalificerend en overig relevant zijn aangemerkt en de daarmee verband houdende instandhoudingsdoelen. Verweerder heeft door zich uitsluitend op het rapport te baseren derhalve niet alle voor de beoordeling in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn relevante gegevens verzameld.

   De Afdeling overweegt voorts dat het rapport voornamelijk beschrijvend van aard is en geen inzicht geeft in de wijze waarop de beoordeling van de reeds heersende ammoniakdepositie op het gebied en de mogelijke effecten van de toename van deze ammoniakdepositie veroorzaakt door de onderhavige vergunningverlening heeft plaatsgevonden. Bovendien bevat het rapport een innerlijke tegenstrijdigheid nu in de samenvatting wordt geconcludeerd dat de bij het bestreden besluit vergunde inrichting geen significante gevolgen heeft, terwijl in de slotopmerkingen wordt gesteld dat de inrichting wel degelijk significante effecten kan hebben op het gebied "De Bult". Het rapport geeft voorts, daargelaten de juistheid van de voor het habitattype 7120 gehanteerde kritische depositiewaarde, geen inzicht in de verhouding van de kritische depositiewaarden tot de heersende achtergronddepositie en de instandhoudingsdoelen van het gebied "De Bult".

   Uit het vorenstaande volgt dat verweerder niet toereikend heeft onderzocht of op basis van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de thans vergunde toename van de ammoniakemissie en -depositie significante gevolgen heeft voor het natuurgebied "De Bult", afgezet tegen de specifieke instandhoudingsdoelen daarvan. Verder heeft hij niet onderzocht of de vergunde toename van de ammoniakemissie en -depositie andersoortige effecten voor het natuurgebied inhouden en, zo deze effecten er zijn, of deze als significant moeten worden aangemerkt. Daarom is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, en in strijd met artikel 3:46 van die wet niet deugdelijk gemotiveerd.

2.4.    Appellante stelt dat er sprake is van een verkapte weigering, nu niet kan worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden. Zij stelt in dit verband verder dat de woning Bankert 16 ten onrechte niet in de beoordeling van de akoestische situatie is meegenomen.

   Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat verweerder dient te beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend. Blijkens het geluidonderzoek van 26 september 2005, dat onderdeel uitmaakt van de bij het bestreden besluit behorende aanvraag, kan aan de gestelde geluidgrenswaarden worden voldaan. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling in hetgeen appellante hierover heeft gesteld geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling is dan ook geen sprake van een verkapte weigering en kan deze beroepsgrond niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

   Voor zover appellante stelt dat de woning Bankert 16 ten onrechte niet is meegenomen in de beoordeling van de akoestische situatie, overweegt de Afdeling dat verweerder de geluidniveaus ter plaatse van de woningen Bankert 7 en Bankert 12 heeft berekend. Deze woningen liggen respectievelijk op ongeveer 350 meter en 200 meter van de onderhavige inrichting. De woning Bankert 16 ligt op een afstand van 345 meter van de onderhavige inrichting. Nu blijkens het voornoemde geluidonderzoek ter plaatse van de woningen Bankert 7 en Bankert 12 aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan, kunnen deze woningen als maatgevend worden beschouwd en zal ter plaatse van woningen die op ongeveer gelijke of grotere afstand zijn gelegen tevens aan de gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden voldaan. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in dit geval niet nodig was een geluidonderzoek ter plaatse van de woning Bankert 16 uit te voeren.

2.5.    Gelet op het overwogene onder 2.3.4 is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 25 oktober 2005, kenmerk WM/1849;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Gemert-Bakel aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Gemert-Bakel aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

159-492.