Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4231

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200508692/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 21 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Driebergen-Rijsenburg (hierna: het college) appellante op de hoogte gesteld van het besluit tot plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst van het aan appellante in eigendom toebehorende pand aan de Hoofdstraat 47 te Driebergen-Rijsenburg (hierna: het pand).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508692/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

'Partiplan Vastgoed B.V.', gevestigd te Zwolle,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 04/3295 van de rechtbank Utrecht van 7 september 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Driebergen-Rijsenburg (thans: Utrechtse Heuvelrug).

1.    Procesverloop

Bij brief van 21 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Driebergen-Rijsenburg (hierna: het college) appellante op de hoogte gesteld van het besluit tot plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst van het aan appellante in eigendom toebehorende pand aan de Hoofdstraat 47 te Driebergen-Rijsenburg (hierna: het pand).

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, het door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit heeft appellante bij brief, bij de rechtbank ingekomen op 22 december 2005, beroep ingesteld. Bij brief van 15 maart 2006 heeft de rechtbank het beroep en de daarop betrekking hebbende stukken ter verdere behandeling naar de Afdeling toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2006, waar

mr. N.S. Commijs, advocaat te Zwolle, vergezeld door ir. J.H. van Vark, en het college vertegenwoordigd door mr. K. van der Meij, senior adviseur United Technical Solutions, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 27 juni 1991 heeft de gemeenteraad van Driebergen-Rijsenburg, gelet op artikel 168 van de Gemeentewet en artikelen 12 en 15 van de Monumentenwet, de Monumentenverordening 1991 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

   Ingevolge artikel 1, onder a, van de Verordening verstaat de verordening onder monumenten alle zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, besluiten onroerende monumenten als beschermd gemeentelijk monument op de monumentenlijst te plaatsen.

2.2.    Uit het registratieformulier van de gemeentelijke monumentenlijst Driebergen-Rijsenburg blijkt dat het pand op de lijst is geplaatst omdat het van architectuurhistorisch belang is vanwege de gave hoofdvorm en detaillering uit de bouwperiode, en voorts van stedenbouwkundig belang is als beeldbepalend onderdeel van de bebouwing- en ontwikkelingskarakteristiek van de Hoofdstraat, welke zich kenmerkt in een ruime parcellering van grote bouwvolumes, voornamelijk uit de bouwperiode van de late 19e en de vroege 20e eeuw.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het pand monumentale waarde heeft. Volgens appellante heeft de rechtbank miskend dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het door haar overgelegde deskundigenrapport van 'Buro 2' van 19 september 2003, dat een bouwhistorische waardestelling van het pand bevat. Volgens appellante scoort het pand niet of nauwelijks op de criteria cultuurhistorische waarde, architectuurhistorische waarde, gaafheid en zeldzaamheid.

   Tevens heeft de rechtbank volgens appellante miskend dat het pand, zo het in het verleden al een monumentaal karakter zou hebben gehad, dit karakter door de talloze verbouwingen en aanbouw van bijgebouwen, heeft verloren. Appellante wijst hiertoe op het door haar ingebrachte deskundigenrapport van 'Bouwkundig Dienstencentrum Zwolle' van 28 oktober 2003, dat een inventarisatie behelst van de wijzigingen die het pand sinds de oprichting heeft ondervonden.

   Voorts klaagt appellante dat de rechtbank ten onrechte bij de beoordeling van de monumentale waarde van het pand in aanmerking heeft genomen dat de in de loop der jaren uitgevoerde verbouwingen herstelbaar zijn.

2.3.1.    De monumentencommissie van de gemeente Driebergen-Rijsenburg heeft ter zake van de plaatsing van het pand op de gemeentelijke monumentenlijst op 2 december 2003, 1 juni 2004 en 8 september 2004 aan het college geadviseerd. Zij heeft onder meer geoordeeld dat het pand een belangrijke cultuurhistorische waarde heeft als onderdeel van de Stichtse Lustwarande. Het pand bezit ensemblewaarde vanwege het feit dat het overeenkomsten vertoont in bouwtrant, bouwvolume en architectonisch aanzien met gelijksoortige villa's in de nabije omgeving. Aangezien veel van dergelijke villa's in de loop van de 20e eeuw in deze omgeving verloren zijn gegaan, speelt het aspect van zeldzaamheid een rol. Voorts is de hoofdstructuur/constructie door de verbouwingen niet noemenswaardig aangetast en zijn er voldoende oorspronkelijke vormen en detailleringen aanwezig om het exterieur van het pand positief te waarderen. De aanbouwen achter het monument zijn niet monumentaal en komen dan ook niet voor in de objectbeschrijving.

2.3.2.    Het college heeft in het besluit van 26 oktober 2004 ter onderbouwing van zijn standpunt dat het pand monumentale waarde heeft, verwezen naar de objectbeschrijving van het pand, naar de waardering van het pand tijdens het in 1990 uitgevoerd Monumenten Inventarisatie Project, waarbij het pand is aangemerkt als vallend in categorie 2 met als motivering "vanwege de detaillering en als uitdrukking van een functie", alsmede naar de adviezen van de monumentencommissie. In de adviezen van de monumentencommissie wordt naar het oordeel van de Afdeling genoegzaam ingegaan op de door appellante ingebrachte deskundigenrapporten en hetgeen zij daaromtrent naar voren heeft gebracht. Overigens blijkt ook uit het deskundigenrapport van 'Buro 2' dat het pand van stedenbouwkundig belang is, nu het pand karakteristiek is voor de bebouwing langs de Hoofdstraat en daarmee illustratief is voor de geschiedenis van Driebergen. De conclusies van dit rapport en van het rapport van het 'Bouwkundig Dienstencentrum Zwolle' ter zake van de overige door appellante genoemde criteria, noopten het college er niet toe de aan het college uitgebrachte adviezen voor onjuist te houden.

   Hoewel appellante terecht klaagt dat de rechtbank er aan voorbij is gegaan dat slechts de huidige staat van het pand relevant is voor de beoordeling of sprake is van een monumentaal pand, en niet de mogelijke staat van het pand na een eventuele verbouwing, laat dit onverlet dat de conclusie van de rechtbank, dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het pand een monumentaal karakter heeft, juist is. Het betoog slaagt derhalve niet.

2.4.    Het vorenoverwogene betekent dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    De rechtbank heeft het besluit van 26 oktober 2004 vernietigd, omdat het college voorafgaand aan het nemen van het besluit de door appellante gestelde financiële belangen ten onrechte niet bij de belangenafweging heeft betrokken.

2.5.1.    Bij besluit van 8 november 2005 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door appellante gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van appellante, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden. De rechtbank heeft in verband hiermee het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep naar de Afdeling doorgezonden.

2.6.     Appellante betoogt dat het college haar ten onrechte niet heeft gehoord alvorens opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen.

2.6.1.    Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

2.6.2.    Aan de hoorplicht is voldaan, nu vaststaat dat appellante voorafgaand aan de beslissing op bezwaar van 26 oktober 2004 in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. In artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is geen algemene verplichting opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak, waarbij de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd. Op grond van artikel 7:9 van de Awb kan een plicht om een belanghebbende opnieuw te horen wel ontstaan indien het bestuursorgaan zich bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar baseert op feiten en omstandigheden die na het eerste horen naar aanleiding van het bezwaar bekend zijn geworden en die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn. Nu hiervan in het onderhavige geval geen sprake is, faalt het betoog.

2.7.    Appellante betoogt tenslotte in beroep dat het college in het besluit van 8 november 2005 onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de door haar aangevoerde financiële belangen. Appellante stelt dat de waarde van het pand na de plaatsing op de monumentenlijst is gedaald. Zij stelt voorts schade te lijden omdat haar plannen voor nieuwbouw door plaatsing van het pand op de monumentenlijst geen doorgang kunnen vinden.

2.7.1.    Het betoog slaagt niet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zwaarder gewicht moet worden toegekend aan het behoud van het pand, door plaatsing ervan op de monumentenlijst, dan aan de financiële belangen van appellante. Het strookt niet met het doel van de Verordening, namelijk het behoud van een gebouw als monument, indien aan de enkele stelling dat sprake is van waardedaling als gevolg van plaatsing op de monumentenlijst doorslaggevende betekenis zou moeten worden toegekend. Voorts betekent de plaatsing van het pand op de monumentenlijst op zichzelf niet dat ingrijpende wijzigingen of zelfs sloop van het pand geen doorgang zouden kunnen vinden. De monumentenverordening voorziet immers in de mogelijkheid om een vergunning te verlenen voor wijziging, verplaatsing en afbraak van een beschermd gemeentelijk monument. Het college heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nieuwbouwplannen van appellante in een dermate pril stadium verkeren, dat daaraan bij de gehandhaafde weigering voorbij kon worden gegaan, te meer nu deze plannen niet in overeenstemming zijn met het geldende bestemmingsplan, dat ook reeds gold ten tijde van de aankoop van het pand door appellante.

2.8.    Het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 8 november 2005 is gezien het vorenoverwogene ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 8 november 2005 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

344.