Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4228

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200509001/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (hierna: het college), voor zover thans van belang, appellant aangeschreven vóór 1 september 2004 de zonder vergunning gebouwde hondenren op het perceel [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en het niet-agrarisch gebruik van de op de bijgevoegde tekening met geel aangegeven opstallen te beëindigen op straffe van de verbeurte van een periodieke dwangsom van € 500,- per vier weken met een maximum van € 5000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509001/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/319 van de rechtbank Arnhem van 23 september 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (hierna: het college), voor zover thans van belang, appellant aangeschreven vóór 1 september 2004 de zonder vergunning gebouwde hondenren op het perceel [locatie] in [plaats] (hierna: het perceel) te verwijderen en het niet-agrarisch gebruik van de op de bijgevoegde tekening met geel aangegeven opstallen te beëindigen op straffe van de verbeurte van een periodieke dwangsom van € 500,- per vier weken met een maximum van € 5000,-.

Bij besluit van 21 december 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten met dien verstande dat appellant vóór 1 maart 2005 aan de last dient te voldoen.

Bij uitspraak van 23 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 januari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2006, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P. Miller, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Niet betwist in hoger beroep is dat de activiteiten die appellant op het perceel uitoefent in strijd zijn met de daarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rustende bestemmingen en dat de hondenren zonder de daarvoor benodigde bouwvergunning is gebouwd. Het college was dan ook bevoegd handhavend op te treden.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de planvoorschriften en het gevoerde beleid ten aanzien van het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan geen concreet zicht op legalisatie van de met het bestemmingsplan strijdige situatie bestaat. Dit standpunt is door appellant in hoger beroep niet bestreden.

2.4.    Het betoog van appellant dat het college bij het opleggen van de last onder dwangsom ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn financiële draagkracht faalt. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. De financiële omstandigheden van appellant spelen hierbij in beginsel geen rol. In hetgeen appellant aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.5.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college van optreden had behoren af te zien.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

163-444.