Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4225

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200509967/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2004 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) de door appellant gevraagde vergunning voor de exploitatie van de inrichting "Invictus Horeca Exploitatie" (hierna: de inrichting) aan de Middenbaan Noord 202 te Rotterdam-Hoogvliet, als café/bar annex pool- en danscafé, inclusief het organiseren van discoavonden, geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2006/1866
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509967/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. VEROR 05/352 van de rechtbank Rotterdam van 19 oktober 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2004 heeft de burgemeester van Rotterdam (hierna: de burgemeester) de door appellant gevraagde vergunning voor de exploitatie van de inrichting "Invictus Horeca Exploitatie" (hierna: de inrichting) aan de Middenbaan Noord 202 te Rotterdam-Hoogvliet, als café/bar annex pool- en danscafé, inclusief het organiseren van discoavonden, geweigerd.

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 oktober 2005, verzonden op 21 oktober 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 april 2006 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.P.Ph.M. Weerts, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. W.H.K. Bruggemann, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2.3.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: de APV) - voor zover hier van belang - is het verboden zonder voorlopige vergunning of vergunning van de burgemeester een inrichting als bedoeld in deze paragraaf te exploiteren (exploitatievergunning).

   Ingevolge artikel 2.3.2, tweede lid, van de APV kan, indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat of wordt voldaan aan de criteria, gesteld in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8, door de burgemeester een vergunning worden afgegeven voor een proefperiode van ten hoogste een jaar (proefvergunning).

   Ingevolge artikel 2.3.4, derde lid, van de APV - voor zover hier van belang - wordt de vergunning uitsluitend verleend aan de exploitant en op naam gezet van de exploitant en de beheerder van de inrichting.

   Ingevolge artikel 2.3.6, tweede lid, van de APV kan de burgemeester een vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting door de aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt beïnvloed.

   Ingevolge artikel 2.3.6, derde lid, van de APV - voor zover hier van belang - houdt de burgemeester bij de toepassing van de in artikel 2.3.6, tweede lid, genoemde weigeringsgrond rekening met:

a. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

b. de aard van de inrichting;

c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting;

d. de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder in deze of in andere inrichtingen.

2.2.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de weigering van de vergunning voor de exploitatie van de inrichting als café/bar annex pool- en danscafé, inclusief het organiseren van discoavonden, de terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan, en wel in die zin dat de burgemeester het algemeen belang, namelijk bescherming van woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting, heeft mogen laten prevaleren boven de belangen van appellant, namelijk het exploiteren van de inrichting om daaruit inkomsten te genereren.

2.3.    De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank in haar uitspraak van 28 juni 2005 in zaak no. VEROR 04/2518 heeft vastgesteld dat eerder aan appellant een vergunning voor de duur van één jaar was verstrekt voor de exploitatie van genoemde inrichting als café/bar annex poolcafé, doch dat deze vergunning bij besluit van 29 september 2003 met onmiddellijke ingang was ingetrokken. Door de rechtbank is geoordeeld dat de wijze van bedrijfsvoering van appellant en de daarbij opgetreden overtredingen van de voorschriften en de incidenten die zich hadden voorgedaan, voldoende waren om het standpunt van de burgemeester, dat het woon- en leefklimaat in de omgeving door de aanwezigheid van de inrichting nadelig wordt beïnvloed, te kunnen dragen. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld, zodat hetgeen de rechtbank in die uitspraak heeft overwogen in rechte onaantastbaar vaststaat. De voorgeschiedenis biedt voldoende grondslag voor het gebrek aan vertrouwen dat de burgemeester stelt in de persoon van appellant.

2.4.    Voorts kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank heeft miskend dat appellant met de exploitatieaanvraag geen verzwaring van de horeca-activiteiten beoogt en dat verlening van de aangevraagde vergunning niet in overeenstemming is met de voor dit gebied geldende Nota Horecabeleid Hoogvliet (hierna: de Nota).

    Blijkens de Nota is het beleid gericht op consolidatie waarbij slechts zeer beperkte groei van de horeca door bijzondere omstandigheden bespreekbaar kan zijn, zij het dat deze groei van de horeca ondersteunend en aanvullend ten opzichte van de detailfunctie dient te zijn. Wijziging in een zwaarder type horeca wordt niet toegestaan, hetgeen betekent dat disco's en dergelijke in het gebied niet thuishoren, aldus de Nota.

    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 januari 2005 in zaak no. 200401778/1 vastgesteld dat in het verleden reeds is gebleken dat een exploitatie van de inrichting, op deze plaats, als een gelegenheid waar mede kan worden gedanst, niet mogelijk is zonder dat het woon- of leefklimaat wordt bedreigd en de openbare orde wordt aangetast. De burgemeester heeft dan ook de weigering van een exploitatievergunning voor een café/bar annex pool- en danscafé, inclusief het organiseren van discoavonden, mede kunnen baseren op zijn oordeel dat gevaar bestaat voor een ontoelaatbare aantasting van de openbare orde en bedreiging van het woon- en leefklimaat, nu de inrichting in een dichtbevolkte woonwijk is gelegen en bij de eerdere exploitatie van de inrichting door appellant en diens voorganger overlast is veroorzaakt.

    Appellant heeft in dit verband ter zitting verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 september 2004, doch hetgeen appellant hieromtrent aanvoert, is reeds bij de eerdergenoemde, door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de rechtbank van 28 juni 2005, weerlegd.

    Gelet op het vorenstaande en nu in de uitspraak van 5 januari 2005 eveneens is vastgesteld dat de in de Nota genoemde vormen van verzwaring van exploitatie geen uitputtende opsomming inhouden, moet naar het oordeel van de Afdeling ook de thans door appellant voorgenomen exploitatie van de inrichting als café/bar annex pool- en danscafé, inclusief het organiseren van discoavonden, worden aangemerkt als een in de Nota bedoelde verzwaring van de exploitatievorm ten opzichte van het eerder vergunde gebruik.

2.5.    Ook het betoog van appellant dat rechtsbeginselen zouden zijn geschonden, kan niet slagen. Immers, aan de weigering aan appellant een exploitatievergunning te verlenen, ligt ten grondslag het gebrek aan vertrouwen dat de burgemeester stelt in de wijze van exploitatie van de inrichting door appellant, gelet op hetgeen zich in het verleden heeft voorgedaan en heeft geleid tot de onmiddellijke intrekking van de eerdere exploitatievergunning. Dat de burgemeester bij het bestreden besluit niet de bevindingen in de geluidsrapportage van bureau Peutz, die op verzoek van appellant is opgesteld in verband met te nemen maatregelen in het kader van mogelijke geluidsoverlast, heeft meegenomen, doet dan ook aan de weigering van de vergunning, zoals die thans door appellant is aangevraagd, niet af. Met de rechtbank moet derhalve worden geoordeeld dat geen sprake is van schending van enig rechtsbeginsel.

   Dat appellant tweemaal in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze in te dienen ten aanzien van het voornemen tot weigering van de vergunning, is ingegeven door het voorstel van appellant van 10 mei 2004 met betrekking tot zijn aanvraag om een exploitatievergunning. Hierin kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van een onregelmatig besluitvormingsproces.

2.6.    Gelet op het bovenstaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester, gelet op het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede en derde lid, van de APV, bij zijn besluit het algemeen belang heeft mogen laten prevaleren boven het belang van appellant en de gevraagde vergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006.

97-384.