Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4217

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200508212/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant van 24 februari 2005 om schadevergoeding als bedoeld in artikel 26 van de Ontgrondingenwet afgewezen.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 8
Ontgrondingenwet 26
Ontgrondingenwet 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2006/99 met annotatie van De Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508212/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant van 24 februari 2005 om schadevergoeding als bedoeld in artikel 26 van de Ontgrondingenwet afgewezen.

Bij besluit van 15 augustus 2005, no. 2005-11988, ABJ, heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 21 september 2005, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 22 september 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 december 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2006, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door P. van der Burgh, D.J. Wever en C. Dijkstra, ambtenaren van de provincie,

zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Wettelijk kader

2.2.    Ingevolge artikel 26 -oud- van de Ontgrondingenwet, voor zover hier van belang, wordt aan degene die bedenkingen heeft ingebracht, voor zover blijkt dat hij tengevolge van een beschikking ter zake van een ontgronding als bedoeld in artikel 8 van de wet schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend door het college van gedeputeerde staten ten laste van de provinciale kas.

Ingevolge artikel 28 van de Ontgrondingenwet kan, indien bij een beschikking als bedoeld in artikel 8 van de wet geen vergoeding is toegekend, deze wordt aangevraagd.

Standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt dat hij schade lijdt vanwege het verlies van inkomsten uit de exploitatie van zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie […], nr. [X] (ged.), zolang de vergunninghouder de teruglevering van het perceel vertraagt onder verwijzing naar de hem verleende ontgrondingsvergunning van 27 maart 2001. Bij die vergunning is naar de stelling van appellant ten onrechte de termijn verlengd waarbinnen de ontgrondingsactiviteiten, waarvoor bij besluit van 12 oktober 1976 vergunning was verleend, beëindigd dienen te zijn. Appellant bestrijdt de stelling van verweerder dat de vergunning van 12 oktober 1976 voor onbepaalde tijd was verleend.

Standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de teruglevering van het voornoemde perceel niet is opgehouden als gevolg van de vergunning van 12 oktober 1976 of van de bij besluit van 27 maart 2001 verleende vergunning, maar veeleer het gevolg is van de lange termijn die gemoeid is met de uitvoering van de tussen appellant en vergunninghouder gesloten overeenkomst, waarin de teruglevering van de verkochte grond na de uitvoering van de ontgronding is voorzien.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Appellant heeft tezamen met anderen (hierna: appellant en anderen) bij overeenkomst van 16 mei 1975 gronden, kadastraal bekend gemeente Harkstede, sectie […], nummer [Y] gedeeltelijk, thans gemeente Slochteren, sectie […], nr. [X] gedeeltelijk, aan [partij A] en [partij B] verkocht, onder de voorwaarde dat - voor zover hier van belang - bepaalde percelen na de ontgronding aan appellant en anderen worden teruggeleverd.

2.5.2.    Bij besluit van 12 oktober 1976 heeft verweerder aan [partij A] een vergunning onder voorschriften verleend voor het gedeeltelijk ontgronden van het perceel, kadastraal bekend gemeente Harkstede, sectie […], nr. [Y], thans gemeente Slochteren, sectie […], nr. [X]. Vergunningvoorschrift 6 luidt, voor zover hier van belang:

De werkzaamheden moeten binnen 5 jaar na dagtekening van het besluit zijn voltooid. Mochten de werkzaamheden niet binnen deze termijn kunnen worden of zijn voltooid, dan zal een voortzetting van de ontgronding slechts mogen geschieden na de daartoe verkregen machtiging van het college van gedeputeerde staten, gedurende een daarbij te stellen termijn. Zodra blijkt dat de werkzaamheden niet binnen deze termijn kunnen worden voltooid, en een voortzetting niet wordt toegestaan, moet de ontgronding naar aanwijzingen van of vanwege het college van gedeputeerde staten worden afgewerkt.

In voorschrift 19 is bepaald dat het perceelsgedeelte na de ontgronding als openbare plas met bijbehorende vrij toegankelijke oevers moet worden opgeleverd.

2.5.3.    Het college van gedeputeerde staten heeft geen machtiging als bedoeld in voorschrift 6 bij het besluit van 12 oktober 1976 verleend.

2.5.4.    Bij besluit van 21 augustus 1998 heeft verweerder aan [partij A] een vergunning onder voorschriften verleend voor het ontgronden van (gedeelten van) de percelen, kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie U, nrs. 895, 896, 897, 963, 965, 1034, 1740, 1807, 1808, 1809, 1775, 1778 en 1812, plaatselijk bekend als de regionale zandwinplaats Borgmeren te Harkstede, tot uiterlijk 1 januari 2015. De eerder verleende ontgrondingsvergunningen die op dit gebied betrekking hebben, waaronder de voornoemde vergunning van 12 oktober 1976, zijn bij dit besluit ingetrokken. De bij besluit van 21 augustus 1998 verleende vergunning heeft onder meer betrekking op een geringe uitbreiding aan de noordzijde en op een verdieping van het centrale gedeelte van de zandwinplaats. Tegen het besluit van 21 augustus 1998 heeft onder meer appellant beroep bij de Afdeling ingesteld. Bij haar uitspraak van 24 juli 2000, no. E01.98.0551, heeft de Afdeling het besluit van 21 augustus 1998 vernietigd, omdat verweerder ten onrechte heeft nagelaten specifiek onderzoek te doen uitvoeren naar de gevolgen van de diepere ontgronding voor de nabijgelegen woningen.

Over het bezwaar van appellant dat die vergunning in strijd is met de overeenkomst die hij met de vergunninghouder heeft gesloten, heeft de Afdeling in genoemde uitspraak overwogen dat dit een aspect van privaatrechtelijke aard betreft, dat in de beroepsprocedure omtrent die vergunning niet aan de orde kan komen.

Ten aanzien van het bezwaar van appellant dat de vergunning neerkomt op een verlenging van de geldigheidsduur van de eerder verleende vergunningen heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder - na afweging van de belangen die zijn gediend met voortzetting van de zandwinning tegenover het belang van omwonenden bij een recreatieve ontwikkeling van het gebied - in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat het verlenen van de vergunning niet onevenredig bezwarend is voor omwonenden. Daarbij heeft de Afdeling opgemerkt dat niet is gebleken dat verweerder in het verleden een toezegging heeft gedaan over het beëindigen van de ontgronding ter plaatse en dat een dergelijke toezegging niet kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat een eerdere ontgrondingsvergunning voor het gebied slechts voor een bepaalde tijd is verleend. De Afdeling heeft in dit bezwaar geen grond gezien voor de conclusie dat verweerder die vergunning had moeten weigeren of daaraan nadere voorschriften had moeten verbinden.

2.5.5.    Bij besluit van 27 maart 2001 heeft verweerder wederom een vergunning onder voorschriften verleend voor het ontgronden van de regionale zandwinplaats Borgmeren tot uiterlijk 1 januari 2015, onder intrekking van eerder verleende ontgrondingsvergunningen die op dit gebied betrekking hebben, waaronder de vergunning van 12 oktober 1976. Tegen dit besluit heeft onder meer appellant beroep ingesteld. De Afdeling heeft bij uitspraak van 14 augustus 2002, no. 200102250/1 het besluit van 27 maart 2001 vernietigd, voor zover daarin het verzoek van appellant van 9 november 2000 tot vergoeding van schade aan het pand aan de [locatie] te [plaats] tengevolge van ontgrondingswerkzaamheden die reeds eerder waren vergund, buiten behandeling is gelaten. Omtrent de bezwaren van appellant tegen de vergunning als zodanig heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen.

   2.5. [appellant] voert voorts aan dat op de kaartbijlage dient te worden aangegeven dat geen ontgrondingswerkzaamheden meer zullen plaatsvinden op het gedeelte van het perceel nr. 1034, waarop de in te trekken vergunning van 12 oktober 1976, nr. 8.893/2.X, betrekking heeft.

   Verweerders hebben dienaangaande gesteld dat de uitputting van de vergunning nr. 8.893/2.X niet losstaat van de afwerking en inrichting van het desbetreffende perceel. Teneinde de afwerking en inrichting te kunnen afdwingen kan dit perceel nog niet worden opgeleverd. De Afdeling is niet gebleken dat dit onjuist is.

   2.6. [appellant] voert verder aan dat (…) duidelijkheid is ontstaan over de noordelijke uitbreiding. Een en ander vindt appellant niet terug in de nieuwe vergunning.

   Verweerders stellen dat de noordelijke uitbreiding in verband met de kwaliteitslocatie Borgmeren kleiner is vergund dan is aangevraagd en dat deze is opgenomen in de nieuwe vergunning. Voorts hebben verweerders meegedeeld dat meer retourzand zal terugvloeien in het noordelijke deel dan in de vergunning van 12 oktober 1976 was voorzien. Voor dit deels als natuurgebied in te richten deel zijn aanvullende voorwaarden opgesteld. Het gebied kan in verband hiermee nog niet worden opgeleverd, ondanks het feit dat hier geen zand meer wordt gewonnen. Het is de Afdeling niet gebleken dat een en ander onjuist is.

2.5.6.    Appellant heeft op 24 februari 2005 een verzoek om vergoeding van schade, die naar hij stelt het gevolg is van de ontgrondingsvergunning van 27 maart 2001, ingediend. De schade bestaat volgens appellant uit vertragingsschade, omdat hij ten gevolge van de looptijd van de ontgrondingsvergunning van 27 maart 2001 later kan beschikken over aan hem terug te leveren gronden dan indien verweerder dit besluit niet had genomen.

2.5.7.    De gronden, kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie […], nr. [X], gedeeltelijk, maken blijkens het primaire besluit van verweerder van 20 mei 2005 onderdeel uit van de centrale zandwinning te Harkstede en worden mede gebruikt ten dienste van de zandwinning in de rest van het wingebied. Direct naast het perceel ligt het depot van de centrale zandwinning, van waaruit water en slib terugvloeit naar de zandwinning. Daardoor wordt verondieping van de waterplas op het perceel veroorzaakt. De afwerking van het perceel kan volgens dit besluit dan ook eerst plaatsvinden wanneer de zandwinning in haar geheel wordt beëindigd en de gehele ontgronding in het wingebied wordt opgeleverd.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Het betoog van appellant dat bij het besluit van verweerder van 27 maart 2001 ten onrechte opnieuw vergunning is verleend voor het verrichten van activiteiten waarvoor bij besluit van 12 oktober 1976 vergunning was verleend, kan niet tot het door hem beoogde resultaat leiden. Hierover is immers reeds geoordeeld in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2000. Zoals hiervoor onder 2.5.4. overwogen heeft de Afdeling het in die uitspraak toelaatbaar  geoordeeld dat verweerder - onder intrekking van de vergunning van 12 oktober 1976 - opnieuw activiteiten heeft vergund die bij die eerdere vergunning ook waren vergund. Verder heeft de Afdeling het, zoals hiervoor onder 2.5.5. overwogen, niet onjuist geacht dat het perceel van appellant, gelegen in de noordelijke uitbreiding van de ontgrondingslocatie, in de bij besluit van 27 maart 2001 verleende vergunning is opgenomen. Het gegeven dat op dit perceel geen ontgraving meer zou plaatsvinden, stond hieraan niet in de weg, omdat dit perceel nog werd benut voor de terugvloeiing van retourzand met het oog op de herinrichting van het gebied. Daarbij heeft de Afdeling destijds in aanmerking genomen dat dit een belemmering vormde voor het opleveren van de gronden. In het kader van de onderhavige procedure moet hiervan worden uitgegaan.

Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat van een vertraging in de oplevering van de gronden geen sprake is, aangezien de termijn waarbinnen de activiteiten mogen worden verricht nog niet is verstreken. Uitgaande van de in de besluiten van 21 augustus 1998 en van 27 maart 2001 vergunde termijn is het standpunt van verweerder juist. Dit standpunt gaat er echter aan voorbij, hetgeen door appellant is benadrukt, dat het vergunninghouder in de eerdere vergunning van 12 oktober 1976 niet was toegestaan de gronden tot uiterlijk 1 januari 2015 te gebruiken.

Daarmee rijst de vraag of de door appellant gestelde schade kan worden toegerekend aan verweerders besluiten van 21 augustus 1998 en van 27 maart 2001, voor zover het vergunninghouder daarin wordt toegestaan de gronden tot uiterlijk 1 januari 2015 te gebruiken. De Afdeling beantwoordt die vraag ontkennend. Daarbij is van belang dat genoemd voorschrift niet in de weg staat aan oplevering van de gronden door vergunninghouder voorafgaand aan 1 januari 2015.

Of de gronden eerder dan laatstgenoemde datum aan appellant zullen worden (terug)geleverd, was ten tijde hier van belang onzeker en afhankelijk van de vraag waartoe de vergunninghouder jegens appellant in hun contractuele relatie was en is gehouden, alsmede van het feitelijk handelen van de vergunninghouder. De vraag welke betekenis aan de besluiten van 21 augustus 1998 en van 27 maart 2001 toekomt in het kader van de tussen appellant en vergunninghouder gesloten overeenkomst, staat niet ter beoordeling aan de bestuursrechter en kan daarom in deze procedure niet aan de orde komen. Wel volgt uit het vorenstaande dat van een rechtstreeks verband tussen de gestelde schade en genoemde besluiten, dat wordt vereist wil schade als hier aan de orde op de voet van artikel 26 van de Ontgrondingenwet voor vergoeding in aanmerking komen, geen sprake is.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding  terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Nolles

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

291-466.