Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200508566/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brielle (hierna: het college), voor zover thans van belang, geweigerd appellant vrijstelling te verlenen voor het gebruik van een op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gelegen loods voor het stallen van caravans.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508566/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. WRO 04/3897 van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Brielle.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brielle (hierna: het college), voor zover thans van belang, geweigerd appellant vrijstelling te verlenen voor het gebruik van een op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gelegen loods voor het stallen van caravans.

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 augustus 2005, verzonden op 1 september 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2006, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door L.T.H. Schmetz en H. Snoeij, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting stukken overgelegd.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Vierpolders" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, hulpgebouwen toegestaan A(hg)".

   Niet in geschil is dat het bestemmingsplan in de weg staat aan het gebruik van de loods voor het stallen van caravans.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor het gebruik van de loods voor het stallen van caravans.

2.2.1.    Het college heeft het verzoek om vrijstelling, voor zover thans van belang, getoetst aan het provinciale beleid van de provincie Zuid-Holland, zoals dit is opgenomen in de "Nota Planbeoordeling 2002 (hierna: de Nota Planbeoordeling)". Ten aanzien van het Buitengebied is in de richtlijnen van paragraaf 3.6 (Niet-agrarische bebouwing) van de Nota Planbeoordeling, voor zover hier van belang, vermeld dat vestiging van kleinschalige bedrijfsfuncties plaatselijk onder bepaalde voorwaarden in voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, niet zijnde glasopstallen, kan plaatsvinden. Voorts is in de goedkeuringscriteria van deze paragraaf vermeld dat voormalige agrarische bedrijfscomplexen, als de agrarische functie niet meer kan worden vervuld — hetgeen ter beoordeling staat van de agrarisch deskundige —, benut kunnen worden voor een andere functie, zoals, voor zover hier van belang, de woonfunctie of kleinschalige — niet hinderlijke — bedrijvigheid.

   In het advies van 24 juni 2003 heeft de DCMR, Milieudienst Rijnmond (hierna: de DCMR) erop gewezen dat op 5 januari 2000 positief is geadviseerd ten aanzien van de nieuwvestiging op het perceel van een tuinbouwbedrijf met een oppervlakte van 29 hectare tuinbouwgrond, een bedrijfswoning, een loods van 1000 m² en een kas en dat de omstandigheid dat appellant thans slechts 14 hectare tuinbouwgrond exploiteert niet maakt dat het doelmatig agrarisch gebruik van de loods, opgericht ten behoeve van een tuinbouwbedrijf met een oppervlakte van 29 hectare, is komen te vervallen. Bij gebruik van 29 hectare overeenkomstig het teeltplan is een loods met een oppervlakte van 1000 m² doelmatig en noodzakelijk. Nadat appellant in bezwaar te kennen had gegeven dat het door hem uitgeoefende agrarische bedrijf inmiddels geheel is beëindigd, heeft de DCMR zich in het advies van 11 maart 2004, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat, indien de landbouwgronden en de loods aan appellant toebehoren, bij een gewijzigde bedrijfsvoering een doelmatig agrarisch gebruik van de loods mogelijk is en de agrarische functie van de loods kan worden vervuld. Het feit dat appellant persoonlijk zijn agrarische activiteiten heeft beëindigd doet hieraan niet af.

2.2.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de gevraagde vrijstelling, in aanmerking genomen de adviezen van de DCMR, in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Anders dan appellant betoogt, valt niet in te zien dat de DCMR zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de loods overeenkomstig de agrarische bestemming kan worden gebruikt. Dat appellant door persoonlijke omstandigheden feitelijk geen gebruik meer maakt van de loods overeenkomstig de bestemming en dat de landbouwgronden blijkens de ter zitting overgelegde stukken aan een derde worden verhuurd, kan, mede in aanmerking genomen het advies van de DCMR van 5 januari 2000, niet tot het oordeel leiden dat de agrarische functie van de loods objectief bezien niet meer kan worden vervuld. De Afdeling wijst er in dit verband op dat volgens haar vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2005 in zaak no. 200406714/1, vrijstelling van het gebruik op grond van de planvoorschriften als de onderhavige slechts aan de orde is, indien zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming objectief bezien niet meer mogelijk is. Voorts wordt, in aanmerking genomen die vaste rechtspraak, met de rechtbank overwogen dat het college bij afweging van de door appellant gestelde financiële belangen tegen het belang van handhaving van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid aan laatstgenoemd belang meer gewicht kunnen heeft kunnen toekennen. Het betoog van appellant faalt derhalve.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

66-423.