Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4195

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200510266/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2005 heeft verweerder PCN Vastgoedadviseurs B.V. vergunning verleend als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van de bouw van een parkeerkelder aan de Wilhelminalaan 27 te Naarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 91 met annotatie van H.F.M.W. van Rijswick
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510266/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2005 heeft verweerder PCN Vastgoedadviseurs B.V. vergunning verleend als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van de bouw van een parkeerkelder aan de Wilhelminalaan 27 te Naarden.

Bij besluit van 26 oktober 2005 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van 21 september 2005,  PCN Vastgoedadviseurs B.V. vergunning verleend als bedoeld in artikel 14 van de Grondwaterwet voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van de bouw van een parkeerkelder aan de Wilhelminalaan 27 te Naarden.

Tegen het besluit van 26 oktober 2005 hebben appellanten bij brief van 14 december 2005, bij de Raad van State ingekomen 15 december 2005, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2006. Namens appellanten heeft [appellant] daar het woord gevoerd. Verweerder is daar vertegenwoordigd door mr. V.A. Textor, advocaat te Amsterdam en L.F. Kwak, ambtenaar van de provincie. Voorts is als partij gehoord PCN Vastgoedadviseurs B.V., vertegenwoordigd door mr. J. Gundelach, advocaat te Enschede, en [directeur].

2.    Overwegingen

2.1.    Het verweer dat appellanten geen procesbelang meer hebben bij  een inhoudelijke beoordeling van hun beroep omdat de grondwateronttrekking inmiddels is beëindigd, faalt, nu appellanten ter zitting hebben gesteld dat zij als gevolg van die onttrekking schade hebben geleden en een ter vergoeding daarvan strekkende vordering niet op voorhand van iedere grond is ontbloot.

2.2.     Het verweer, inhoudende dat het beroep van appellanten tegen het besluit van 26 oktober 2005 slechts ontvankelijk kan zijn voor zover het zich richt tegen inhoudelijke wijzigingen in dat besluit ten opzichte van het besluit van 21 september 2005, nu appellanten geen beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 21 september 2005, faalt eveneens. Volgens het dictum van het besluit van 26 oktober 2005 is door dat besluit het eerdere besluit van 21 september 2005 immers geheel vervangen. Bovendien is het nieuwe besluit genomen binnen de beroeptermijn van het besluit van 21 september 2005, zodat appellanten redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen dat zij vóór 26 oktober 2005 geen beroep hadden ingesteld tegen het besluit van 21 september 2005. De onduidelijkheid die is ontstaan over de omvang van de wijziging kan dan ook niet strekken tot beperking van de ontvankelijkheid van het beroep van appellanten.

2.3.    In artikel 14, eerste lid, van de Grondwaterwet is bepaald dat het verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren, tenzij daarvoor door gedeputeerde staten een vergunning is verleend. Ingevolge het tweede lid van artikel 14 kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden ter bescherming van bij het grondwaterbeheer betrokken belangen.

2.4.    Appellanten, allen wonend aan de [locatie sub 1] of [locatie sub 2] te [plaats], vrezen dat de grondwateronttrekking tot verdroging van de bodem leidt en daardoor tot schade aan hun opstallen en aan de aanwezige bomen. Volgens hen hadden ter beperking van de gevolgen van de grondwateronttrekking in het besluit andere en verdergaande maatregelen en voorzieningen moeten worden voorgeschreven.

2.5.    In dit verband voeren zij primair aan dat de keuze van verweerder voor een open in plaats van een gesloten bemaling onjuist is vanwege de aanwezigheid van een kleilaag. Volgens hen zou bij een gesloten bemaling minder grondwater over een kortere periode geloosd hoeven te worden.

2.5.1.    Verweerder heeft in het besluit en ter zitting uitvoerig uiteengezet dat de keuze tussen een open of een gesloten bemaling wordt bepaald door de aard van de ondergrond en dat bij een waterdoorlatende zandgrond, zoals hier aanwezig is, het gebruik van damwanden geen wezenlijke invloed heeft op de omvang van de hoeveelheid grondwater die moet worden onttrokken. Volgens verweerder is de op een diepte van 10 tot 11 meter onder het maaiveld aanwezige dunne en slecht ontwikkelde kleilaag niet waterkerend en vormde die laag geen reden om geen open bemaling toe te staan. Verweerder heeft zijn standpunt gebaseerd op een geohydrologisch rapport dat bij de aanvraag is gevoegd. De aannames en conclusies van dat rapport zijn niet betwist. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten op dit punt hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat verweerder vanwege die kleilaag niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de aangevraagde open bemaling.    

2.6.    Verder achten appellanten de voorschriften ter bescherming van de bomen ontoereikend en ontbreekt volgens hen een bomenbeschermingsplan met een totaalpakket van maatregelen. Met name achten zij de groeiperiode waarin op grond van vergunningvoorschrift 14 geen grondwater onttrokken mag worden (april tot en met september) te kort. Volgens appellanten dient die periode te lopen van 1 maart tot 1 oktober. Zij baseren dat standpunt op een mondelinge verklaring van een landelijk gerenommeerde organisatie op het gebied van boomverzorging. Zij voeren in dit verband verder aan dat, in strijd met dat voorschrift, zelfs tot 13 april 2006 grondwater is onttrokken. Ook achten zij vergunningvoorschrift 7 niet duidelijk, omdat daarin niet duidelijk is bepaald in welke gevallen sprake is van een dreigende overschrijding. Zij achten het  noodzakelijk dat ook overschrijdingen per uur of per maand worden gemeld.

2.6.1.    Ter voorkoming van verdroging van de bodem heeft verweerder voorschriften aan de vergunning verbonden om de grondwateronttrekking in omvang en tijd te beperken. De betwiste vergunningvoorschriften luiden als volgt:

   voorschrift 6.

"Aan de bodem mag niet meer onttrokken worden dan 200 m3 per uur, 140.000 m3 per maand en totaal 560.000 m3".

   voorschrift 7.

"Indien de, volgens de vergunning maximaal te onttrekken, hoeveelheid grondwater overschreden dreigt te worden, dient u dit binnen drie dagen te melden bij het hoofd".

   voorschrift 14.

"Tijdens het groeiseizoen (april tot en met september) mag geen grondwater worden onttrokken".

   voorschrift 17.

"Indien uit de monitoring blijkt dat de verlaging van de grondwaterstand meer bedraagt dan de jaarlijkse fluctuatie moeten de bomen binnen het beïnvloedingsgebied van de grondwateronttrekking worden voorzien van water".

2.6.2.    De Afdeling stelt vast dat door middel van de verplichte monitoring de onttrekker tijdens de onttrekking inzicht dient te verwerven in de effecten van de onttrekking en zo nodig corrigerend dient op te treden. Daartoe is in voorschrift 17 vastgelegd wanneer de bomen in het beïnvloedingsgebied moeten worden voorzien van water. Wat de omvang van dat gebied is blijkt uit de aanvraag. Hoewel voorschrift 17 niet nader preciseert in hoeverre dat gebied van water moet worden voorzien, is het voldoende duidelijk dat door voorschrift 17 de aanvrager verplicht is om verdrogingseffecten als gevolg van de onttrekking te niet te doen. De Afdeling acht dat voorschrift dan ook niet ontoereikend voor het daarmee beoogde doel.

   Verweerder heeft naar aanleiding van een verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Naarden in voorschrift 14 bepaald dat het groeiseizoen van de bomen duurt van april tot en met september, welke periode algemeen wordt gehanteerd voor de duur van het groeiseizoen. Zo  is door vergunninghoudster een verklaring overgelegd van [hoveniersbedrijf] van 19 januari 2006, waarin wordt geadviseerd om voor werkzaamheden die water aan de bodem onttrekken de maanden januari, februari en maart aan te houden. De door appellanten ingebrachte mondelinge verklaring is onvoldoende om te concluderen dat verweerder had moeten weigeren om in de maand maart grondwater te mogen onttrekken. Dat er hier in strijd met dat voorschrift en met medeweten van verweerder tot 13 april 2006 grondwater is onttrokken, is niet een aspect dat betrekking heeft op de rechtmatigheid van dat voorschrift maar op de naleving daarvan.  In deze procedure, waarin de rechtmatigheid van het onttrekkingsbesluit ter beoordeling staat, kan dat gegeven dan ook niet leiden tot vernietiging van dat besluit.

   Uit de voorschriften 6 en 7, in samenhang bezien, leidt de Afdeling af dat voorschrift 7 aan de aanvrager een meldingsplicht oplegt indien er een overschrijding dreigt van de maximale onttrekkingshoeveelheid, ongeacht of dat per uur, per maand of de totale hoeveelheid is. Blijkens de stukken is die uitleg ook door verweerder beoogd. Mede gelet op die uitleg is genoegzaam tegemoet gekomen aan het beroep van appellanten op dit punt.

   Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat het besluit  toereikende bescherming biedt tegen verdroging als gevolg van de verleende grondwateronttrekking. Gelet op de Grondwaterwet diende verweerder bij de beslissing op de aanvraag om vergunning alleen de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen af te wegen. Die wet biedt daarom geen grondslag voor een verderstrekkend bomenbeschermingsplan, zoals appellanten wensen.  

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.7.1.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Stolker

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2006

157.