Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200604151/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2006 heeft verweerder aan verzoekster, voor zover hier van belang, een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 1.1.1 van de Bijlage bij het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/1977
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604151/1.

Datum uitspraak: 11 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Litax Holding B.V.", gevestigd te Reuver (gemeente Beesel),

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Beesel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2006 heeft verweerder aan verzoekster, voor zover hier van belang, een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschrift 1.1.1 van de Bijlage bij het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit).

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 6 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 juni 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. T.E. van der Bent, advocaat te Zeist, en [directeur] en verweerder, vertegenwoordigd door ing. R.M.M. Lange en F.M.A.M. Tegels, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Voor zover het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening betrekking heeft op het bestreden besluit wat de last onder dwangsom, inhoudende de verplaatsing van het touringcarbedrijf van het perceel Heerstraat 23 vanwege strijd met het bestemmingsplan, betreft, constateert de Voorzitter dat hij onbevoegd is om in eerste en enige aanleg op een dergelijk verzoek te beslissen, nu het besluit in zoverre niet is genomen op grond van de Wet milieubeheer of een van de in artikel 20.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bedoelde wetten of wettelijke bepalingen, voor zover het een besluit betreft dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wetten waarop hoofdstuk 18 van de Wet milieubeheer van toepassing is.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat een gelijkluidend verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in behandeling is bij de rechtbank Roermond.

2.2.    Op het terrein van de inrichting wordt een touringcarbedrijf geëxploiteerd, dat beschikt over 11 touringcars (>3.500 kg), geschikt voor het vervoer van 10 personen of meer. Daarnaast is sprake van een taxibedrijf dat beschikt over een aantal personenauto's en een aantal taxibusjes (<3.500 kg), geschikt voor het vervoer van maximaal 9 personen. De touringcars worden geparkeerd, gereinigd en gewassen op het perceel Heerstraat 23. Verder vinden af en toe op het terrein van de inrichting ombouwwerkzaamheden aan de touringcars plaats.

2.3.    Verzoekster is van mening dat verweerder niet bevoegd was handhavend op te treden op grond van het Besluit, aangezien haars inziens niet dit besluit maar het Besluit opslag- en transportbedrijven op de inrichting van toepassing is.

2.3.1.    In artikel 2, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat dit besluit van toepassing is op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor het onderhouden, repareren, behandelen van de oppervlakte, keuren, reinigen van carrosserie en bekleding, verhandelen, verhuren, stallen of proefdraaien van motorvoertuigen, caravans, landbouwwerktuigen, aanhangwagens of opleggers.

   In de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel wordt als voorbeeld van een inrichting voor motorvoertuigen genoemd de stalling van bedrijfseigen motorvoertuigen, zoals bijvoorbeeld een remise ten behoeve van bussen voor personenvervoer met daaraan gerelateerde voorzieningen en activiteiten. Gelet op het vorenstaande gaat de Voorzitter ervan uit dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit Besluit op de inrichting van toepassing is.

2.4.    Verzoekster stelt dat zij door verweerder ten onrechte als overtreder is aangemerkt, omdat niet zij, maar Litax B.V. (hierna: Litax) de drijver is van de inrichting. Zij is bovendien geen eigenaar van het terrein waarop de overtreding is geconstateerd en heeft geen zeggenschap over de activiteiten, aldus verzoekster.

2.4.1.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoekster het terrein van de inrichting huurt van C.A.A. Teunissen en verhuurt aan Litax. Verder is gebleken dat de touringcars op naam van verzoekster staan; deze worden eveneens aan Litax verhuurd. Voorts staat vast dat verzoekster enig aandeelhouder is van Litax en dat [directeur] enig bestuurder is van beide besloten vennootschappen. Beide besloten vennootschappen zijn bovendien gevestigd op het adres Heerstraat 23 te Reuver.

   Gelet op het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat tussen beide besloten vennootschappen een zodanige onderlinge verwevenheid bestaat dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster kan worden aangemerkt als drijver van de inrichting en derhalve kan worden aangemerkt als overtreder.

2.5.    De Voorzitter stelt vast dat verweerder zich bij de beoordeling van de geluidsituatie op het terrein van de inrichting heeft gebaseerd op het in opdracht van verzoekster opgestelde akoestisch onderzoeksrapport van 11 september 2002 en dat hij geen geluidmetingen heeft verricht dan wel heeft laten verrichten om de huidige akoestische situatie in kaart te brengen, zodat onduidelijk is of en zo ja, in hoeverre ten tijde van het bestreden besluit de geldende geluidgrenswaarden werden overschreden. Gelet op het vorenstaande acht de Voorzitter het aannemelijk dat de Afdeling tot de conclusie zal komen dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is genomen.

2.6.     Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit een punitief karakter heeft, aangezien de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding. Verder acht zij de begunstigingstermijn te kort.

2.6.1.    De dwangsom wegens overtreding van voorschrift 1.1.1 van de Bijlage bij het Besluit is gesteld op € 1.000,00 per keer dat wordt geconstateerd dat dit voorschrift wordt overtreden. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.000,00. Aan de last onder dwangsom is een begunstigingstermijn verbonden tot 1 juli 2006.

2.6.2.    De Voorzitter ziet in de stukken en het verhandelde ter zitting geen grond voor het oordeel dat het dwangsombedrag en het maximum bedrag niet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

   Wat de begunstigingstermijn betreft, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder, ook al moge het zo zijn dat verzoekster er door eerdere waarschuwingen rekening mee moest houden dat handhavingsmaatregelen zouden worden genomen bij overtreding van de geldende geluidgrenswaarden, onvoldoende heeft gemotiveerd dat een termijn van iets meer dan één maand ten tijde van het bestreden besluit als redelijk kon worden aangemerkt in de omstandigheden van het geval, mede in aanmerking genomen dat verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen dat de overschrijdingen van de geluidgrenswaarden niet met eenvoudige voorzieningen en maatregelen zijn op te lossen.

2.7.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart zich onbevoegd van het verzoek kennis te nemen voor zover het de last onder dwangsom, inhoudende de verplaatsing van het touringcarbedrijf van het perceel Heerstraat 23, betreft;

II.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beesel van 29 mei 2006, kenmerk GGB/MIL/Bola/06.0443, voor zover het de last onder dwangsom wegens overtreding van voorschrift 1.1.1 betreft, tot zes weken na de beslissing op het door verzoekster bij verweerder ingediende bezwaarschrift, met dien verstande dat indien binnen deze termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beesel tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 946,80 (zegge: negenhonderdzesenveertig euro en 80 cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Beesel aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Beesel aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Heijstek-van Leussen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Heijstek-van Leussen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006

353.