Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY4192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
200603412/1 en 200603412/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2006 heeft verweerder aan appellante een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer voor het in werking hebben van een baksteenfabriek, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 24 maart 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603412/1 en 200603412/2.

Datum uitspraak: 11 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2006 heeft verweerder aan appellante een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer voor het in werking hebben van een baksteenfabriek, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 24 maart 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 mei 2006, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door ing. E. Koning en A.H.J. Wagener, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer en A. van Mierlo, werkzaam bij Royal Haskoning, en S. Tannemaat, ambtenaar van de gemeente Millingen aan de Rijn, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.3.    Ter zitting heeft appellante haar beroep, voor zover het betrekking heeft op de richtlijn CPR 15-1 voor de opslag van gevaarlijke stoffen in emballage, ingetrokken.

2.4.    Appellante kan zich met een aantal voorschriften die aan de verleende vergunning zijn verbonden, niet verenigen.

2.5.    In voorschrift 3.1.4 is bepaald dat binnen drie maanden na het in werking treden van dit voorschrift of inbedrijfstelling aan het bevoegd gezag een rapport ter goedkeurig moet worden toegezonden, waarin door middel van berekeningen of metingen moet worden aangetoond dat aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan.

2.5.1.    Volgens appellante is een dergelijk voorschrift onnodig nu de bedrijfsvoering niet is gewijzigd sinds de uitvoering van het bij de aanvraag gevoegde akoestisch onderzoek. Naleving van het voorschrift zal volgens haar dan ook leiden tot eenzelfde akoestisch rapport als gevoegd is bij de aanvraag.

2.5.2.    Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

   Ingevolge het derde lid, worden, voor zover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften verbonden, inhoudende dat op een daarbij aangegeven wijze moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan en dat de daarbij verkregen gegevens ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.5.3.    De Voorzitter stelt vast dat bij de aanvraag een akoestisch rapport van 28 januari 2004 is gevoegd. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft verweerder met voorschrift 3.1.4 niet beoogd appellante zonder meer te verplichten tot het opstellen van een volledig nieuw akoestisch rapport, maar zijn in het voorschrift berekeningen en metingen voorgeschreven teneinde te bepalen of de inrichting daadwerkelijk aan de aan de vergunning verbonden geluidnormen voldoet. Daarbij kan, aldus verweerder, worden teruggegrepen op het rapport van 2004, voor zover de werkelijke bedrijfssituatie met de aannames in dat akoestisch rapport overeenkomt. Gezien het bepaalde in artikel 8.12, derde lid, van de Wet milieubeheer mocht verweerder de verplichting tot het doen van dergelijk eenmalig onderzoek aan de vergunning verbinden. De beroepsgrond slaagt niet.

2.6.    In voorschrift 5.3.3. is bepaald dat de opslag van olieproducten, vetten, oplosmiddelen, ontvetter, verf, lak en vloeibare chemicaliën voor de waterbehandeling verpakt in doelmatige emballage moeten worden opgeslagen in vloeistofdichte lekbakken. Deze lekbakken moeten zijn geplaatst op een voldoende vloeistofkerende vloer.

   In voorschrift 5.3.5 is bepaald dat de vloeibare hulpstoffen mangaanslurry, ijzeroxide en bariumcarbonaat moeten worden opgeslagen in doelmatige silo's of containers die zijn geplaatst op een vloeistofdichte vloer of in vloeistofdichte lekbakken die zijn geplaatst op een voldoende vloeistofkerende vloer.

2.6.1.    Appellante betoogt dat aldus ten onrechte zowel een lekbak als een vloeistofkerende vloer is voorgeschreven. Volgens haar is een vloeistofkerende vloer op een aantal plaatsen moeilijk te realiseren en kan worden volstaan met een lekbak.

2.6.2.    De Voorzitter stelt vast dat appellante bij haar aanvraag een bijlage heeft gevoegd waarin de voorgenomen bodembeschermende maatregelen met betrekking tot de opslag van onder meer de in de voorschriften 5.3.3 en 5.3.5 genoemde stoffen zijn opgenomen. Ter zitting is gebleken dat verweerder deze bijlage niet juist heeft geïnterpreteerd en dat hij ten onrechte ervan is uitgegaan dat alle maatregelen, zoals opgenomen in de voorschriften 5.3.3. en 5.3.5, door appellante zijn aangevraagd. Daarnaast heeft verweerder ter zitting naar voren gebracht dat het voorschrijven van zowel een lekbak als een vloeistofkerende vloer in dit geval waarschijnlijk niet noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Gelet hierop zijn naar het oordeel van de Voorzitter de voorschriften 5.3.3 en 5.3.5 niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt.

2.7.    In voorschrift 5.3.4 is bepaald dat de opslag van cokes/antraciet, Portafer, Engobe en Rutiel inpandig moet plaatsvinden in gesloten zakken of bigbags op een voldoende vloeistofkerende vloer. De opslag van krijt en kalksplit moet plaatsvinden in doelmatige silo's. Het stortgoed moet zodanig zijn afgedekt dat contact met hemelwater wordt voorkomen.

2.7.1.    Appellante betoogt dat naleving van voorschrift 5.3.4 onpraktisch en kostbaar is, nu de laatste zin van dat voorschrift in de praktijk met zich brengt dat de totale grondstoffenopslag inclusief kleidepot moet worden afgedekt.

2.7.2.    Op basis van het verhandelde ter zitting overweegt de Voorzitter dat verweerder met dit voorschrift heeft beoogd voor te schrijven dat alleen de stoffen cokes/antraciet, Portafer, Engobe, Rutiel, krijt en kalksplit zodanig moeten zijn afgedekt. Het kleidepot dan wel ander stortgoed hoeft, aldus verweerder, derhalve niet te worden afgedekt. Nu dit evenwel niet als zodanig in het voorschrift is opgenomen is het voorschrift naar het oordeel van de Voorzitter niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt.

2.8.    In voorschrift 8.1.3 is bepaald dat indien door gepland onderhoud aan of storing in de rookgasreiniger en/of de stofafscheidingsinstallatie niet aan de emissie-eisen kan worden voldaan, niet mag worden geëmitteerd naar de atmosfeer, tenzij schriftelijke goedkeuring is verkregen van het bevoegd gezag. Schriftelijke goedkeuring kan voor een tijdsduur van maximaal 48 uur worden verleend indien bij gepland onderhoud aan of storing in de rookgasreiniger tijdelijk niet kan worden voldaan aan de emissie-eisen.

2.8.1.    Appellante voert aan dat het niet mogelijk is voorafgaand aan een storing het bevoegd gezag op de hoogte te brengen en dat dit voorschrift dan ook efficiënt reageren in geval van een storing in de weg staat.

2.8.2.    Verweerder heeft met het voorschrift beoogd in geval van onderhoud of storing een uitzondering op de voorgeschreven emissie-normen mogelijk te maken, in zoverre dat tijdelijk meer wordt geëmitteerd dan is toegestaan in onderhavige vergunning. Daarbij acht verweerder het van belang dat hij van dergelijke situaties op de hoogte wordt gebracht zodra die zich voordoen en dat goedkeuring op basis van een beoordeling van het concrete geval is vereist. De melding van de storing kan telefonisch geschieden en in die gevallen zal verweerder ook telefonisch goedkeuring kunnen geven, direct gevolgd door een schriftelijke goedkeuring.

2.8.3.    De Voorzitter overweegt dat verweerder in redelijkheid in het voorschrift heeft kunnen opnemen dat schriftelijke goedkeuring is vereist. Evenwel is ter zitting gebleken dat het appellante niet duidelijk is binnen welke termijn goedkeuring moet worden gevraagd. Daarbij vreest zij in geval van een storing niet adequaat te kunnen handelen door het terstond treffen van de noodzakelijke maatregelen. Verweerder heeft hierover ter zitting naar voren gebracht dat appellante niet terstond goedkeuring hoeft te vragen indien andere handelingen in verband met de aard van de storing noodzakelijk zijn en in zoverre prioriteit hebben. Aangezien ter zitting is gebleken dat zowel appellante als verweerder op dit punt een nadere aanvulling van het voorschrift, ter verduidelijking, wenselijk achten, acht de Voorzitter de totstandkoming van dat voorschrift niet in overeenstemming met artikel 3:2 van de Awb. De beroepsgrond slaagt.

2.9.    In voorschrift 8.6.1 is bepaald dat goederen behorende tot de stuifklasse S1 en S3 moeten worden opgeslagen in gesloten ruimtes.

Bij dit voorschrift is onder een kopje "COMMENTAAR" voorts opgenomen:

"In aanvulling hierop kan dit voorschrift ook van toepassing worden verklaard op goederen behorende tot stuifklasse S2."

2.9.1.    Appellante vreest dat zij, gelet op het commentaar, zonder nadere besluitvorming verplicht kan worden tot opslag van goederen van stuifklasse S2 in gesloten ruimtes. Volgens haar is dit niet nodig en ook niet haalbaar binnen de inrichting.

2.9.2.    De Voorzitter overweegt dat hetgeen onder het kopje "COMMENTAAR" is opgenomen geen onderdeel vormt van voorschrift 8.6.1. Goederen behorende tot stuifklasse S2 behoeven door appellante dan ook niet in gesloten ruimtes te worden opgeslagen. Een verplichting daartoe kan eerst door middel van een besluit, bijvoorbeeld tot wijziging van de vergunning, worden bewerkstelligd. Verweerder heeft dit ook ter zitting bevestigd. Gelet hierop bestaat geen grond voor voormelde vrees van appellante en slaagt de beroepsgrond niet.

2.10.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd voor zover het de voorschriften 5.3.3, 5.3.5, 5.3.4 en 8.1.3 betreft. Voor het overige is het beroep ongegrond.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting ziet de Voorzitter aanleiding wat betreft de voorschriften 5.3.4 en 8.1.3 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en de voorschriften te wijzigen.

2.11.    Gelet op het voorgaande bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding en dient het verzoek te worden afgewezen.

2.12.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen van 14 maart 2006, 2004/332, voor zover het de voorschriften 5.3.3, 5.3.4, 5.3.5 en 8.1.3 betreft;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    bepaalt dat voorschrift 5.3.4 komt te luiden:

De opslag van cokes/antraciet, Portafer, Engobe, en Rutiel moet inpandig plaatsvinden in gesloten zakken of bigbags op een voldoende vloeistofkerende vloer. De opslag van krijt en kalksplit moet plaatsvinden in doelmatige silo's. Het in dit voorschrift bedoelde stortgoed moet zodanig zijn afgedekt dat contact met hemelwater wordt voorkomen;

V.    bepaalt dat voorschrift 8.1.3 komt te luiden:

Indien door gepland onderhoud aan of storing in de rookgasreiniger en/of de stofafscheidingsinstallatie niet aan de emissie-eisen kan worden voldaan, mag niet worden geëmitteerd naar de atmosfeer, tenzij - zo mogelijk vooraf en anders zodra mogelijk - schriftelijke goedkeuring is verkregen van het bevoegd gezag. Schriftelijke goedkeuring kan voor een tijdsduur van maximaal 48 uur worden verleend indien bij gepland onderhoud aan of storing in de rookgasreiniger tijdelijk niet kan worden voldaan aan de emissie-eisen.;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

VII.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

VIII.    gelast dat de gemeente Ubbergen aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Blok, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Blok

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2006

428.