Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3839

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
200602107/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2006:AV3754
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nationale veiligheid / ambtsbericht AIVD / geen inzage van onderliggende stukken door verweerder.

De rechtbank heeft miskend dat in de wet de term 'gevaar voor de nationale veiligheid' niet nader is omschreven, volgens paragraaf B1/3.2.5 Vc 2000 gevaar voor de nationale veiligheid per geval wordt beoordeeld, de AIVD ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 de bevoegde instantie is om te onderzoeken of van zodanig gevaar sprake is en uit het ambtsbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden de AIVD aan de conclusie dat de vreemdeling een gevaar voor de nationale veiligheid oplevert ten grondslag heeft gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting. Vermelding van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende bron, danwel bronnen, mocht achterwege blijven vanwege de vertrouwelijkheid ervan. Daarbij is mede van belang dat de vreemdeling heeft volstaan met de enkele ontkenning van de in het ambtsbericht vermelde feiten en de daaruit getrokken conclusies en dat deze niet gemotiveerde ontkenning niet kan worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. De minister mocht het ambtsbericht dan ook aan de bij de rechtbank bestreden besluiten ten grondslag leggen, zonder inzage van de aan dat bericht ten grondslag liggende stukken.

Wetsverwijzingen
Wet op de Raad van State
Wet op de Raad van State 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/247
JV 2006/346 met annotatie van BKO
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD VAN STATE

200602107/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/15525 en 05/16696 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 17 februari 2006 in de gedingen tussen:

[naam vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2004 heeft appellant (hierna: de minister) de aan [naam vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken. Bij besluit van 5 januari 2005 heeft hij de vreemdeling voorts ongewenst verklaard.

Bij onderscheiden besluiten van 12 april 2005 heeft de minister het door de vreemdeling tegen die besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 17 februari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 maart 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 31 maart 2006 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Bij onderscheiden besluiten van 6 april 2006 heeft de minister het door de vreemdeling gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij brieven van 26 april 2006 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling bij haar ingediende beroepschriften ter behandeling naar de Afdeling doorgezonden.

Bij brief van 1 juni 2006 heeft de vreemdeling een nadere memorie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven 1 en 2, in hun onderlinge samenhang gelezen, klaagt de minister dat, samengevat weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat hij het individuele ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) van 18 november 2004 (hierna: het ambtsbericht) aan zijn besluiten van 12 april 2005 ten grondslag mocht leggen, zonder inzage te hebben verkregen in de aan dit ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, omdat het ambtsbericht voldoende duidelijk was, zodat nader onderzoek niet nodig was.

2.1.1. Ingevolge artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken, indien de desbetreffende vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard, indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l van deze wet.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, kan een vreemdeling in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst worden verklaard.

De minister heeft zich in de besluiten van 12 april 2005 op het standpunt gesteld dat, voor zover thans van belang, de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Aan dit standpunt heeft hij voormeld ambtsbericht ten grondslag gelegd.

2.1.2. Dat ambtsbericht luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

"In het kader van zijn wettelijke taakuitvoering is de AIVD bekend geworden dat [naam vreemdeling], alias B. alias C. alias D., geboren te E. op […], deel uitmaakt van een netwerk van extremistische moslims welke onder leiding staat van de Syriër F. […]. Over dit netwerk is in oktober 2003 een ambtsbericht uitgebracht aan de Landelijk Officier van Justitie Terrorismebestrijding […]. De AIVD had toen aanwijzingen dat dit netwerk betrokken was bij de voorbereidingen van een terroristische actie.

Recent blijkt uit een betrouwbare bron dat [naam vreemdeling] van mening is dat een moslim gedood mag worden als hij pro-westers is. Eerder was al bekend geworden dat betrokkene Ayaan Hirsi Ali beschouwt als een “mordeda” (fon) dat wil zeggen een moslim die zich tegen de islam heeft gekeerd en dat zij gedood moet worden.

Over betrokkene is verder bekend dat hij een centrale rol speelt in het genoemde netwerk, door personen binnen het netwerk te helpen met hand- en spandiensten, zoals het regelen van een auto om met broeders naar het buitenland te gaan, het regelen van huwelijken voor G. en H. en het regelen van bijeenkomsten. Voorts is duidelijk geworden dat betrokkene sinds zijn arrestatie van vorig jaar probeert zijn activiteiten zoveel mogelijk af te schermen.

De AIVD concludeert dat [naam vreemdeling] een gevaar oplevert voor de nationale veiligheid.”.

2.1.3. De rechtbank heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, het feitelijke gehalte van de in dit ambtsbericht weergegeven informatie niet van dien aard is, dat die informatie, bij het ontbreken van inzichtelijke mededelingen over de gebruikte bron, danwel bronnen, zonder meer de conclusie kan dragen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, het ambtsbericht poly-interpretabel is en onvoldoende concreet op de persoon van de vreemdeling toegespitst om in redelijkheid te kunnen concluderen dat de in deze passages vervatte feiten en omstandigheden voldoende inzichtelijk zijn om eenduidig herleidbaar te zijn tot de conclusie dat de vreemdeling een gevaar voor de nationale veiligheid vormt, dat de minister gelet hierop in redelijkheid niet zonder nader onderzoek heeft kunnen concluderen dat het ambtsbericht op inzichtelijke wijze informatie verschaft en de bij haar bestreden besluiten dan ook in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand zijn gekomen.

2.1.4. Aldus heeft de rechtbank miskend dat in de wet de term 'gevaar voor de nationale veiligheid' niet nader is omschreven, volgens paragraaf B1/3.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 gevaar voor de nationale veiligheid per geval wordt beoordeeld, de AIVD ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 de bevoegde instantie is om te onderzoeken of van zodanig gevaar sprake is en uit het ambtsbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden de AIVD aan de conclusie dat de vreemdeling evenbedoeld gevaar oplevert ten grondslag heeft gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting. Vermelding van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende bron, danwel bronnen, mocht achterwege blijven vanwege de vertrouwelijkheid ervan. Daarbij is mede van belang dat de vreemdeling heeft volstaan met enkele ontkenning van de in het ambtsbericht vermelde feiten en de daaruit getrokken conclusies en dat deze niet gemotiveerde ontkenning niet kan worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. De minister mocht het ambtsbericht dan ook aan de bij de rechtbank bestreden besluiten ten grondslag leggen, zonder inzage van de aan dat bericht ten grondslag liggende stukken.

De grieven slagen.

2.2. De grieven 3 en 4 hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven derhalve geen bespreking.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Aan de besluiten van 6 april 2006, die ter uitvoering van de vernietigde uitspraak zijn genomen, is de grondslag komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaren en die besluiten vernietigen.

2.4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep en in beroep, gericht tegen de besluiten van 6 april 2006, vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van die kosten te beslissen. Dit laat overigens onverlet dat de rechtbank ook omtrent de vergoeding van de proceskosten in beroep, gericht tegen de besluiten 12 april 2005, dient te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam van 17 februari 2006 in de zaken nos. AWB 05/15525, 05/16696;

III. wijst die zaken naar de rechtbank terug;

IV. verklaart de bij de rechtbank tegen de besluiten van 6 april 2006, 9406-15-0162 ingestelde beroepen gegrond;

V. vernietigt die besluiten;

VI. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep tegen de besluiten van 6 april 2006, 9406-15-0162, gemaakte kosten vast op een bedrag van totaal € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H.G. Lubberdink, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb

Voorzitter

w.g. Groeneweg

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006

32-491.

Verzonden: 4 juli 2006

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak