Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200600034/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2005 heeft verweerder aan appellante sub 1 een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een inrichting voor het verrichten van werkzaamheden aan schepen met een lengte van 25 meter en meer op het perceel Ophemertstraat 43 te Rotterdam. Dit besluit is op 24 november 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/2732
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600034/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Scheepswerf Hoogerwaard B.V.", gevestigd te Rotterdam,

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "K.W. Supply B.V.", gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2005 heeft verweerder aan appellante sub 1 een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een inrichting voor het verrichten van werkzaamheden aan schepen met een lengte van 25 meter en meer op het perceel Ophemertstraat 43 te Rotterdam. Dit besluit is op 24 november 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 30 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en appellante sub 2 bij brief van 4 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 30 januari 2006. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 16 februari 2006.

Bij brief van 14 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2006, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en [directeur], appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. M.A. de Boer en R.R. Krebs, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.E. in het Veld en ing. F. Lelieveld, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Appellante sub 2 heeft ter zitting de grond dat een nieuwe vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist is, ingetrokken.

2.3.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellante sub 2 niet-ontvankelijk is voor zover daarin is aangevoerd dat in vergunningvoorschrift 5.3 had moeten worden bepaald dat binnen een afstand van negen meter vanaf de scheiding tussen de inrichting van vergunninghouder en de inrichting van derden geen werkzaamheden mogen worden verricht.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer (oud) kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellante sub 2 heeft de grond dat in voorschrift 5.3 had moeten worden bepaald dat binnen een afstand van negen meter vanaf de scheiding tussen de inrichting van vergunninghouder en de inrichting van derden geen werkzaamheden mogen worden verricht, niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel  8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5.    Appellante sub 1 kan zich niet verenigen met voorschrift 5.3. Hierin is bepaald dat binnen negen meter vanaf de scheiding tussen de inrichting van de vergunninghouder en de inrichting van derden de afstand tussen het te hijsen object en het maaiveld of een in het hijspad opgesteld object niet meer mag bedragen dan drie meter. Volgens appellante sub 1 levert het aanhouden van een afstand van negen meter een onnodige belemmering van haar bedrijfsvoering op.

2.5.1.    Verweerder stelt dat, doordat een hijslast vaak schommelt, deze niet alleen verticaal maar ook in enige mate zijwaarts kan vallen indien zij losschiet (het zogeheten zeilen). Een hijslast kan aldus op het terrein van een naastgelegen inrichting komen en schade veroorzaken. Volgens hem moeten daarom een bepaalde afstand tot de erfgrens en een bepaalde hijshoogte worden aangehouden. Aangezien een hijslast maximaal twaalf meter lang mag zijn (twee maal zes meter), heeft hij een afstand van negen meter redelijk geacht. Verder heeft appellante sub 1 naar zijn mening onvoldoende beargumenteerd waarom deze afstand onaanvaardbaar is of onnodige belemmeringen in de bedrijfsvoering met zich brengt.

2.5.2.    In voorschrift 5.1 is bepaald dat tijdens hijswerkzaamheden delen van de hijskraan of van het te hijsen object zich niet boven de inrichting van derden mogen bevinden, tenzij hier door deze derden schriftelijk toestemming voor is verleend. Naar het oordeel van de Afdeling kan met deze bepaling voldoende worden zekergesteld dat geen hijslasten op het terrein van inrichtingen van derden komen. Voorschrift 5.3 is daarom niet nodig in het belang van de bescherming van het milieu. Het bestreden besluit dient daarom in zoverre wegens strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer (oud) te worden vernietigd. Deze grond slaagt.

2.6.    Appellante sub 2 betoogt dat de vergunning onvoldoende waarborgen biedt om te voorkomen dat de draaicirkel van de hijskraan over het terrein van haar inrichting komt. Voorschrift 5.2, dat in verband hiermee is gesteld, is naar haar mening te onbepaald. In dit verband voert zij verder aan dat de voorschriften 16.1 en 16.2, die zien op instructies aan het personeel, te onbepaald en daarom niet handhaafbaar zijn.

2.7.    Voorschrift 5.2 bepaalt - voor zover hier van belang - dat een voorziening moet worden getroffen die voorkomt dat de draaicirkel van de kraan buiten de inrichtingsgrens komt.

   In voorschrift 16.1 is bepaald dat personen die belast zijn met activiteiten zoals hijsen en lassen, deskundig moeten zijn met betrekking tot de aard en de gevaarsaspecten van deze werkzaamheden en de te nemen maatregelen bij onregelmatigheden. Deze personen moeten een schriftelijke instructie of opleiding hebben ontvangen en hiervan moet een bewijs voorhanden zijn.

   Voorschrift 16.2 bepaalt - kort weergegeven - dat binnen de inrichting werkzame personen instructies moeten hebben ontvangen om niet in strijd met de vergunning te handelen.

2.7.1.    In de aanvraag, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning, is vermeld dat de kraanbaan is voorzien van een afslag waarmee wordt voorkomen dat de draaicirkel van de hijskraan buiten de inrichtingsgrens komt. Appellante sub 2 heeft in de stukken noch ter zitting gemotiveerd aangegeven waarom deze voorziening ontoereikend is. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze voorziening onvoldoende is om te voorkomen dat de draaicirkel van de hijskraan buiten de inrichtinggrens komt, dan wel dat voorschrift 5.2 te onbepaald zou zijn. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de in hoofdstuk 16 van de vergunning neergelegde instructies niet handhaafbaar zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8.    Het beroep van appellante sub 1 is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het voorschrift 5.3 betreft. Het beroep van appellante sub 2, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellante sub 2 niet-ontvankelijk voor zover het de grond dat binnen een afstand van negen meter tot de erfgrens geen activiteiten mogen worden uitgevoerd betreft;

II.    verklaart het beroep van appellante sub 1 gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 11 november 2005, kenmerk 350071, voor zover het voorschrift 5.3 betreft;

IV.    verklaart het beroep van appellante sub 2 voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland aan appellante sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellante sub 1 het door haar voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Van Helvoort

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

361.