Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200509017/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (hierna: het college) geweigerd aan appellant een lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een erfafscheiding op het perceel [locatie] te Echt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509017/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/135 van de rechtbank Roermond van 21 september 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (hierna: het college) geweigerd aan appellant een lichte bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een erfafscheiding op het perceel [locatie] te Echt.

Bij besluit van 15 december 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2005, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 december 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 26 januari 2006 heeft appellant een nadere memorie ingediend.

Met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht is [partij] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, waarvan zij gebruik heeft gemaakt.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C. Scheepers, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Appellant en [partij] zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De erfafscheiding waar het bouwplan betrekking op heeft, is reeds opgericht. De onderhavige bouwaanvraag strekt tot legalisering ervan.

2.2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Woningwet, voor zover thans van belang, moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien:  

    c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

   d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand (…).  

   Ingevolge artikel 44, derde lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, is op de lichte bouwvergunning het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

2.3.     Niet in geschil is dat de erfafscheiding niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Berkelaar", omdat op grond van artikel 2.14, derde lid, aanhef en onder a, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan de hoogte van de erfafscheiding niet meer mag bedragen dan 1.00 meter.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat vast staat dat de welstandscommissie van de gemeente Echt tot tweemaal toe te kennen heeft gegeven dat de erfafscheiding van appellant niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Hij voert daartoe aan dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de welstandscommissie daadwerkelijk de aanvraag voor een lichte bouwvergunning heeft afgekeurd.

2.4.1.    Door de welstandscommissie is op 19 mei 2004 en 30 juli 2004 geadviseerd dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Hoewel het college niet aan het advies van deze commissie gebonden is, mag hieraan in beginsel doorslaggevende betekenis worden toegekend. Het volgen van het advies behoeft in de regel bovendien geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of, in voorkomende gevallen, de derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders, indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen.

2.4.2.    Appellant trekt de wijze van totstandkoming van de welstandsadviezen in twijfel. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is evenwel niet gebleken van feiten of omstandigheden die voor die bewering enige grond bieden. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Het college kon zijn oordeel dan ook doen steunen op de welstandsadviezen van 19 mei 2004 en 30 juli 2004. Het betoog faalt.

2.5.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld aangezien door een ambtenaar van de gemeente is toegezegd dat voor het plaatsen van de erfafscheiding geen bouwvergunning nodig was.

2.5.1.    Dit betoog faalt. Vooropgesteld wordt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel er nimmer toe kan leiden dat de gevraagde vergunning in strijd met de wet wordt verleend. Voorts is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde persoon waaraan appellant het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat voor het plaatsen van de erfafscheiding geen bouwvergunning vereist was. Voor het oordeel dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld bestaat derhalve geen grond.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

328-494.