Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200508151/1 en 200508152/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2001 heeft het college [appellant] met toepassing van artikel 17 van de Woningwet aangeschreven tot het treffen van voorzieningen binnen twaalf maanden na verzending van het besluit aan de gebouwen op het bedrijventerrein "Flora" aan de [locatie] te Rijnsburg en daarbij tevens een last onder dwangsom opgelegd voor het geval niet binnen de termijn aan de aanschrijving is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508151/1 en 200508152/1

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraken in zaak no. AWB 03/2622 en zaak no. 03/3496 van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 september 2005 in de gedingen tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijnsburg, thans het college van burgemeester en wethouders van Katwijk (hierna: het college).

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2001 heeft het college [appellant] met toepassing van artikel 17 van de Woningwet aangeschreven tot het treffen van voorzieningen binnen twaalf maanden na verzending van het besluit aan de gebouwen op het bedrijventerrein "Flora" aan de [locatie] te Rijnsburg en daarbij tevens een last onder dwangsom opgelegd voor het geval niet binnen de termijn aan de aanschrijving is voldaan.

Bij brieven van 7 en 9 oktober 2002 heeft [appellant] het college om verlenging van de begunstigingstermijn van het besluit van 8 november 2001 verzocht.

Bij besluit van 18 november 2002 heeft het college besloten de begunstigingstermijn niet te verlengen.

Bij besluit van 13 mei 2003 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 18 november 2002 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen de mededeling omtrent het verbeuren van de dwangsom, ongegrond verklaard voor zover gericht tegen de weigering de begunstigingstermijn te verlengen en het besluit van 18 november 2002 gehandhaafd onder aanvulling van de motivering ervan.

Bij brief van 21 juni 2002 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat voor het plaatsen van een watertank als onderdeel van de sprinklerinstallatie die zal worden aangebracht ten gevolge van de last onder dwangsom van het college van 8 november 2001, geen bouwvergunning nodig is.

Bij besluit van 11 juli 2003 heeft het college, voor zover thans van belang, het door onder anderen [partij] gemaakte bezwaar tegen de brief van 21 juni 2002 gegrond verklaard en het daarin gestelde herroepen.

Bij uitspraken van 7 september 2005 in de zaken nos. AWB 03/2622 en 03/3496, verzonden op 16 september 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de door [appellant] ingestelde beroepen tegen de besluiten van 13 mei 2003 en 11 juli 2003 ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraken in de zaken nos. AWB 03/2622 en 03/3496 heeft [appellant] bij brief van 19 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 november 2005 heeft [appellant] een nadere toelichting ingediend.

Bij brief ingekomen bij de Raad van State op 5 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 18 mei 2006 heeft [appellant] een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 8 juni 2006, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan de Rijn, en door H. Kralt, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Spijker, advocaat te Leiden, en mr. A.M. Blufpand, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [partij], verschenen in persoon en bijgestaan door mr. J.A. Wols, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank in haar uitspraken in de zaken nos. AWB 03/2622 en 03/3496 de beroepen in strijd met de artikelen 8:31 en 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ongegrond heeft verklaard, nu het college naar aanleiding van deze beroepen geen verweerschrift heeft ingediend.

2.1.1.    Artikel 8:31 van de Awb luidt: "Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen".

   Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb luidt: "Binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en dient het een verweerschrift in."

2.1.2.    Het betoog van [appellant] slaagt niet. De Afdeling stelt vast dat het college, hoewel daartoe door de rechtbank bij onder meer de brief van 20 oktober 2003 uitgenodigd, geen verweerschrift heeft ingediend, zodat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt, verbindt artikel 8:31 van de Awb aan het niet of niet tijdig indienen van een verweerschrift echter geen gevolgen.

   De rechtbank heeft derhalve terecht niet reeds vanwege het ontbreken van verweerschriften de beroepen van [appellant] in de zaken nos. AWB 03/2622 en 03/3496 gegrond verklaard.

2.2.    Bij brief van 18 mei 2006 heeft [appellant] de gronden van het hoger beroepschrift nader aangevuld. De Afdeling ziet, anders dan het college ter zitting van de Afdeling naar voren heeft gebracht, geen aanleiding deze gronden buiten beschouwing te laten. Niet valt in te zien dat het college bij een beoordeling van die gronden in zijn verdediging is geschaad, nu deze gronden inhoudelijk niet afwijken van hetgeen [appellant] bij de rechtbank heeft aangevoerd en het college zelf geen behoefte heeft gevoeld een verweerschrift bij de rechtbank in te dienen.

2.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bouw van de watertank direct voortvloeit uit de aanschrijving van 8 november 2001 en derhalve ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet vergunningvrij is.

2.3.1.    Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen ingevolge een aanschrijving van burgemeester en wethouders.

2.3.2.    Het betoog van [appellant] slaagt niet. Het college heeft [appellant] in de aanschrijving, voor zover thans van belang, de keuze gelaten tussen de opdeling van het gebouwencomplex in brandcompartimenten van maximaal 1000 m² en het aanbrengen van een sprinklerinstallatie. Bij dit laatste alternatief is vermeld dat, alvorens tot het aanbrengen van sprinklerinstallaties wordt overgegaan, eerst door of namens het Bureau voor Sprinklerbeveiliging opgestelde berekeningen en tekeningen ter goedkeuring bij de gemeente moeten worden ingediend. Voorts is in het besluit van 8 november 2001 het volgende vermeld: "Voor al deze aanpassingen moet u alsnog een bouwvergunning aan (laten) vragen." In aanmerking genomen dat artikel 43, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet een uitzondering vormt op artikel 40, eerste lid, en om die reden beperkt dient te worden uitgelegd, leidt het vorenstaande tot de conclusie dat de bouw van de tank niet rechtstreeks volgt uit de aanschrijving van het college.

   De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de noodzaak tot het plaatsen van een watertank van deze omvang op deze plaats als onderdeel van de eventueel aan te brengen sprinklerinstallatie niet zonder meer volgt uit de last onder dwangsom.

2.4.    [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er omstandigheden waren op grond waarvan het college in redelijkheid niet had kunnen weigeren de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom te verlengen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 8 november 2001 waarbij de last onder dwangsom is opgelegd, terwijl, zoals [appellant] ter zitting heeft verklaard, zij van meet af aan vermoedde niet binnen de gestelde termijn aan de last te kunnen voldoen. De omstandigheid dat, naar eveneens ter zitting is gebleken, een nalatigheid van een adviseur van [appellant] de achtergrond vormt voor het achterwege blijven van het bezwaar, dient voor risico van [appellant] te blijven. Voorts blijkt uit een brief van 6 juni 2002 van [appellant] aan het college dat [appellant] eerst op 4 juni 2002 - en derhalve eerst 7 maanden na de inwerkingtreding van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom - een installatiebedrijf opdracht heeft gegeven tot het aanbrengen van een sprinklerinstallatie. De stelling van [appellant] dat zij reeds in januari 2002 activiteiten heeft ontplooid om te voldoen aan de last is niet aannemelijk geworden.

   Gezien deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de door [appellant] gestelde feitelijke onmogelijkheid om aan de last te voldoen verwijtbaar door haarzelf is veroorzaakt en dat niet kan worden geoordeeld dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren de begunstigingstermijn te verlengen.

2.5.    De hoger beroepen van [appellant] tegen de uitspraken in zaken nos. AWB 03/2622 en 03/3496 zijn ongegrond. Die aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 september 2005, AWB 03/3496 en AWB 03/2622.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

218-488.