Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3732

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200504527/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 12 juli 2004 heeft het algemeen bestuur van het Interzuilair Samenwerkingsverband Weer Samen Naar School Zwolle en omstreken (hierna: het algemeen bestuur) geen consensus kunnen bereiken over een voorgenomen besluit inzake de berekening van de kosten ten gevolge van het uittreden van het Openbaar Onderwijs Zwolle (hierna: OOZ) en het Openbaar Onderwijs Hattem (hierna: OOH) uit voormeld samenwerkingsverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504527/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Katholiek Onderwijs Vechtstreek", gevestigd te Ommen,

appellante,

en

de Landelijke Geschillencommissie Samenwerkingsverbanden Weer Samen Naar School,

verweerster.

1.    Procesverloop

Op 12 juli 2004 heeft het algemeen bestuur van het Interzuilair Samenwerkingsverband Weer Samen Naar School Zwolle en omstreken (hierna: het algemeen bestuur) geen consensus kunnen bereiken over een voorgenomen besluit inzake de berekening van de kosten ten gevolge van het uittreden van het Openbaar Onderwijs Zwolle (hierna: OOZ) en het Openbaar Onderwijs Hattem (hierna: OOH) uit voormeld samenwerkingsverband.

Bij beslissing van 18 april 2005 heeft verweerster (hierna: de Geschillencommissie) het door appellante ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en bepaald dat de financiële regeling van de uittreding van OOZ en OOH plaatsvindt op basis van een berekening gebaseerd op de meerjarenbegroting, zodat het algemeen bestuur in totaal de tegenwaarde van 1443 formatierekeneenheden (hierna: fre's) vergoedt aan appellante, te betalen over een periode van vijf jaar en dat deze beslissing in de plaats treedt van het voorgenomen besluit.

Tegen deze beslissing heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juli 2005.

Bij brief van 26 september 2005 heeft de Geschillencommissie een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.C.M. Ranke, werkzaam bij de bond katholiek primair onderwijs, en de Geschillencommissie, vertegenwoordigd door mr. drs. K. Meijer, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO) is het bevoegd gezag voor elk van zijn scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband met een of meer basisscholen en een of meer speciale scholen voor basisonderwijs. Dit samenwerkingsverband stelt zich  ten doel een samenhangend geheel van zorgvoorzieningen binnen en tussen basisscholen en in samenwerking met speciale scholen voor basisonderwijs te realiseren en wel zodanig dat zoveel mogelijk leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken.

   Ingevolge artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, van de WPO kan een bevoegd gezag de deelname aan een samenwerkingsverband voor een school beëindigen, indien een regeling is getroffen met de overige bevoegde gezagsorganen ten aanzien van de financiële en personele consequenties daarvan.

   Ingevolge het vijfde lid van dat artikel, voor zover thans van belang, wordt bij de beëindiging van de deelname op grond voor het vierde lid een termijn van 1 jaar in acht genomen.

   Ingevolge het zesde lid van dat artikel, voor zover thans van belang, gaat de beëindiging van de deelname aan een samenwerkingsverband in op 1 augustus van een schooljaar.

   Ingevolge artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, van de WPO kan het bevoegd gezag van een school voorziening vragen bij de landelijke geschillencommissie tegen beslissingen en andere handelingen in het kader van het samenwerkingsverband.

   Ingevolge artikel 22, vierde lid, tweede volzin, van de WPO wordt het vragen van voorziening als bedoeld in de eerste volzin gelijkgesteld met het instellen van administratief beroep.

   Ingevolge artikel 22, zesde lid, van de WPO kan tegen de uitspraak van de geschillencommissie beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraak bedoeld in de eerste volzin wordt gelijkgesteld met een uitspraak in administratief beroep.

2.2.    Het Interzuilair Samenwerkingsverband Weer Samen Naar School Zwolle (hierna: het samenwerkingsverband) bestaat uit appellante, OOZ, OOH, het openbaar onderwijs van de gemeente Zwartewaterland, de Stichting Primair Openbaar Onderwijs (gemeente Oldebroek), de Jenapleinschool in Zwolle en de Vrije School Michaël in Zwolle. Onder het samenwerkingsverband ressorteren onder meer twee speciale scholen voor basisonderwijs. Op 12 juli 2004 heeft een vergadering van het algemeen bestuur plaatsgevonden, waarin onder andere de uittreding van OOZ en OOH aan de orde is geweest. Het algemeen bestuur heeft echter geen overeenstemming kunnen bereiken over de te treffen financiële regeling, zoals neergelegd in het rapport van de vereniging voor bestuur en management in het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs (hierna: de VOS/ABB) "Bekostigingseffecten door het opsplitsen van het interzuilaire samenwerkingsverband WSNS Zwolle en omgeving (10-08) in een interzuilair verband en een openbaar verband" van 15 mei 2004. Gelet hierop, is een voorziening gevraagd bij de Geschillencommissie.

2.3.    Tijdens de op 18 maart 2005 gehouden hoorzitting bij de Geschillencommissie zijn vijf varianten aan de orde geweest, die blijkens de stukken zien op verschillende berekeningswijzen van de door OOZ te vergoeden kosten aan de achterblijvende scholen in het samenwerkingsverband. De Afdeling verstaat de beslissing van 18 april 2005 van de Geschillencommissie aldus, dat zij heeft geoordeeld dat de financiële regeling van de uittreding van OOZ en OOH plaatsvindt op basis van een berekening gebaseerd op de meerjarenbegroting (de zogenoemde vijfde variant). Deze variant betekent volgens de Geschillencommissie dat OOZ en OOH in totaal de tegenwaarde van 1443 fre's aan appellante dienen te vergoeden, te betalen over een periode van vijf jaar. De vergoeding bedraagt achtereenvolgens in het eerste begrotingsjaar het geldelijke equivalent van 429 fre's, in het tweede begrotingsjaar 375 fre's, in het derde begrotingsjaar 289 fre's, in het vierde begrotingsjaar 200 fre's en in het vijfde begrotingsjaar 150 fre's. Daartoe heeft de Geschillencommissie overwogen dat de vijfde variant op evenwichtige wijze recht doet aan de belangen van appellante en OOZ en OOH, met dien verstande dat de door OOZ en OOH te betalen gelden worden afgebouwd in een dalende reeks over een periode van vijf jaar.

2.4.    Appellante betoogt allereerst dat de Geschillencommissie heeft miskend dat OOH het samenwerkingsverband niet heeft bericht uit het samenwerkingsverband te zullen stappen. Nu de fusie tussen OOZ en het OOH eerst op 1 augustus 2005 heeft plaatsgevonden, was OOZ voor die datum niet bevoegd namens OOH op te treden. Het bericht van uittreding van OOZ kan volgens appellante dan ook niet tevens voor OOH gelden. Volgens appellante maakt OOH na 1 augustus 2005 dan ook nog steeds deel uit van het samenwerkingsverband.

   Appellante betoogt verder dat de beslissing van de Geschillencommissie tegenstrijdig is, nu daarin weliswaar is uitgegaan van de uittreding van zowel OOZ als OOH, doch is gekozen voor een berekeningswijze die enkel ziet op de uittreding van het OOZ.

2.4.1.    Anders dan appellante betoogt, heeft de Geschillencommissie in haar beslissing ervan mogen uitgaan dat OOH schriftelijk heeft aangekondigd uit het samenwerkingsverband te zullen treden. Daarbij is allereerst van belang dat de notulen van de vergadering van het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband van 12 juli 2004 vermelden onder ingekomen post: "aankondiging uittreden Hattem". Voorts bevindt zich in de stukken een brief van appellante van 7 juli 2004, gericht aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem, waarin zij bevestigt dat het schrijven van 25 juni 2004, waarin de deelnemende besturen aan het samenwerkingsverband wordt verzocht in te stemmen met de uittreding van OOH per 1 augustus 2005, in goede orde is ontvangen. Ten slotte ziet het voormelde rapport van de VOS/ABB van 15 mei 2004, dat op de voormelde vergadering van 12 juli 2004 aan de orde is geweest, op de financiële gevolgen van zowel de uittreding van OOZ als van OOH.

   Onverminderd het vorenstaande, heeft de Geschillencommissie haar beslissing evenwel niet zorgvuldig voorbereid. Zoals onder 2.3. is overwogen, houden de vijf varianten die tijdens de hoorzitting aan de orde zijn geweest berekeningen in die enkel zien op de door OOZ aan het samenwerkingsverband te betalen vergoeding. In de beslissing van 18 april 2005 heeft de Geschillencommissie echter zowel wat betreft de uittreding van OOZ als wat betreft die van OOH besloten tot de financiële regeling die is neergelegd in de vijfde variant. Daarbij heeft de Geschillencommissie zich er ten onrechte geen rekenschap van gegeven dat de vijfde variant niet ziet op een door OOH aan het samenwerkingsverband te betalen vergoeding.

2.4.2.    De Afdeling is, gelet op het vorenoverwogene, van oordeel dat de beslissing van de Geschillencommissie van 18 april 2005 in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig is voorbereid. De beslissing dient dan ook te worden vernietigd.

2.5.    Het beroep is gegrond. De beslissing van de Geschillencommissie dient te worden vernietigd. De Geschillencommissie dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw een voorziening te treffen.

2.6.    De Geschillencommissie dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de Landelijke Geschillencommissie Samenwerkingsverbanden Weer Samen Naar School van 18 april 2005;

III.    veroordeelt de Landelijke Geschillencommissie Samenwerkingsverbanden Weer Samen Naar School tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

18-435.