Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200508055/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Ooststellingwerf, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 december 2001, het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening Wester Es 14" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/833
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508055/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Ooststellingwerf

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Ooststellingwerf, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 december 2001, het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening Wester Es 14" vastgesteld.

Bij besluit van 22 mei 2002, kenmerk 486282, ondertekend door verweerder, is beslist omtrent de goedkeuring van dit plan.

Bij uitspraak van 14 november 2002, no. 200203563/2, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dit besluit vernietigd.

Verweerder heeft bij besluit van 4 februari 2003, kenmerk 512457, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 12 november 2003, no. 200302444/1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dit besluit vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 juni 2005, kenmerk 605857, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 oktober 2005.

Verweerder heeft bij brief van 14 november 2005 meegedeeld dat geen verweerschrift zal worden uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2006, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. P. Sipma, advocaat te Drachten, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. F. Jilderda, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Ooststellingwerf, vertegenwoordigd door mr. H.J.W. van Wijk, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader van de Afdeling

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het bestemmingsplan

2.3.    Het plan betreft het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" toegekend.

Het standpunt van appellant

2.4.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan. Volgens hem voorziet het plan, anders dan het voorgaande plan, ten onrechte niet in een woonbestemming voor het perceel. Hiertoe voert hij aan dat voorbij wordt gegaan aan de door de gemeenteraad gedane toezegging dat de komst van een attractiepark niet afdoet aan de mogelijkheid om een woning te bouwen op zijn perceel. Appellant stelt dat er, mede gelet op deze toezegging, redenen zijn om af te wijken van de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse gemeenten uit 1999 (hierna: de VNG-brochure) genoemde indicatieve afstand van 300 meter tussen woningen en een attractiepark.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het bestemmingsplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het bestemmingsplan goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat een woonbestemming in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, aangezien het verschil tussen 50 meter en de in de VNG-brochure genoemde afstand van 300 meter te groot is om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Volgens verweerder kan het gemeentebestuur door het bieden van een redelijke financiële compensatie voldoende tegemoet komen aan de verwachtingen die bij appellant zijn gewekt.

De vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" aangemerkte gronden bestemd voor behoud en herstel van de landschappelijke waarden, de bewerking en/of beweiding van agrarische cultuurgrond en voor onverharde weg.

2.8.    Op grond van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" rustte op het perceel de bestemming "Woondoeleinden (ééngezinshuizen)". Er bevindt zich thans geen woning op het perceel. Eind jaren zeventig is de woning die op het perceel stond geheel afgebroken. Appellant heeft de fundering voor de nieuwe woning reeds aangebracht.

2.9.    Het attractiepark "Duinenzathe" is verplaatst naar een terrein ten noorden van de Wester Es, plaatselijk bekend als "De Maden" (hierna: het terrein). De afstand tussen het attractiepark en de plaats op het perceel waar appellant de woning wenst te verwezenlijken bedraagt 50 meter.

2.10.    Bij uitspraak van 12 november 2003, no. 200302444/1, heeft de Afdeling het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan van 4 februari 2003 vernietigd. In deze uitspraak is, voor zover thans van belang, overwogen:

"Met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling het volgende.

Verweerder was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bekend met de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 30 mei 2002, inzake het beroep van appellant tegen het besluit van de gemeenteraad van 15 mei 2001 tot ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant tegen het besluit van 19 september 2000, waarin wordt verklaard dat voor het perceel een herziening van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" wordt voorbereid (hierna: het voorbereidingsbesluit).

Bij deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit van 15 mei 2001 vernietigd. Voor zover hier van belang strekt het oordeel van de rechtbank ertoe dat het nemen van een voorbereidingsbesluit, gelet op de eerdere mededelingen van de zijde van de gemeente dat verplaatsing van het attractiepark geen negatieve gevolgen heeft voor een woonbestemming op het perceel en dat geen voorbereidingsbesluit zal worden genomen, in strijd is met de rechtszekerheid.

Daarnaast stond, gelet op door appellant ingestelde hoger beroepen, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet in rechte vast of een door appellant gevraagde vergunning voor de bouw van een woning op het perceel door het college van burgemeester en wethouders terecht was geweigerd, dan wel of een tweede aanvraag daartoe terecht buiten behandeling was gesteld. Niet in geschil is dat op deze aanvragen met inachtneming van het vorige bestemmingsplan diende te worden beslist.

Verweerder heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de vraag of onder deze omstandigheden het laten vervallen van de woonbestemming, ten gunste van de in het plan opgenomen bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde", uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar kan worden geacht.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd".

2.11.    Bij besluit van 6 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: het college), onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO bouwvergunningen verleend voor het bouwen van een hoofdgebouw en attractietoestellen, alsmede vrijstelling verleend voor het gebruik van het terrein als attractiepark.

Bij besluit van 19 maart 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog een aantal voorwaarden aan de verleende vrijstellingen verbonden.

Bij uitspraak van 13 april 2005, no. 200402140/1 en 200402416/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 februari 2004, 02/472, waarbij de rechtbank de bezwaren van appellant tegen het besluit van de gemeenteraad van 19 maart 2002 ongegrond heeft verklaard, vernietigd. Zij heeft daarbij, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van appellant tegen het besluit van het college van 19 maart 2002 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op onder meer het bezwaar van appellant diende te beslissen.

In deze uitspraak is voorts, voor zover thans van belang, overwogen:

"Met betrekking tot het betoog van appellanten dat de gevraagde vrijstellingen en bouwvergunningen dienden te worden geweigerd, aangezien op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) een woning kan worden gebouwd, wordt het volgende overwogen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college er bij de beslissing op bezwaar van is uitgegaan dat de mogelijkheid om op het perceel een woning te bouwen zou komen te vervallen. Het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening [locatie]", dat in de daarvoor benodigde wijziging van de bestemming van dat perceel voorziet, was ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar van 19 maart 2002 vastgesteld. Het college van gedeputeerde staten had op dat moment nog niet omtrent de goedkeuring van dat bestemmingsplan beslist. Daarbij geldt dat tegen die beslissing beroep zou kunnen worden ingesteld, hetgeen ook is gebeurd en heeft geleid tot vernietiging van het goedkeuringsbesluit. Het voor dat perceel geldende voorbereidingsbesluit van 19 september 2000 was op dat moment evenmin onherroepelijk. Hetzelfde geldt voor de besluiten van het college van 16 oktober 2000 en 13 november 2000 tot weigering, respectievelijk tot het buiten behandeling stellen van bouwaanvragen ten behoeve van een woning op het perceel.

Onder de vooromschreven omstandigheden had het op de weg van het college gelegen om de gevolgen van het verlenen van de vrijstellingen en de bouwvergunningen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van een mogelijk te bouwen woning op het perceel bij zijn beoordeling te betrekken. Nu het college er bij het nemen van de beslissing op bezwaar zonder meer van is uitgegaan dat geen woning op het perceel zou kunnen worden gebouwd, moet worden geoordeeld dat dit besluit in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is genomen. Dat, zoals het college ter zitting heeft betoogd, zonodig tot onteigening van het perceel [locatie] zal worden overgaan, kan hieraan niet afdoen, reeds omdat uit de beslissing op bezwaar niet blijkt dat het college die mogelijkheid bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft dit niet onderkend".

2.12.    Op 18 september 2000 heeft appellant een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] (hierna: de aanvraag om bouwvergunning).

Bij besluit van 13 november 2000 heeft het college deze aanvraag buiten behandeling gesteld wegens onvolledigheid daarvan.

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft het college het daartegen door appellant aangetekende bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2002 heeft de rechtbank Leeuwarden het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 2 april 2003 deze uitspraak vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten en het besluit van 13 november 2000 herroepen.

Bij besluit van 27 februari 2004 heeft het college de gevraagde bouwvergunning verleend.

Bij besluit van 16 december 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 27 februari 2004 herroepen en alsnog bouwvergunning geweigerd.

De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 7 december 2005, nr 05/79, het beroep van appellant tegen het besluit van 16 december 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Ter zitting is door de gemeenteraad verklaard dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld en dat het in de rede ligt dat een nieuwe beslissing op bezwaar zal strekken tot het verlenen van de bouwvergunning.

Op 28 april 2006 was nog geen nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

2.13.    In de VNG-brochure wordt een afstand van 300 meter aanbevolen tussen een pretpark en een rustige woonbuurt.

2.14.    Niet in geding is de gemeenteraad aan appellant heeft toegezegd dat hij op het perceel een woning kan bouwen, ondanks de komst van het attractiepark.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.    Door middel van het vaststellen en goedkeuren van het bestemmingsplan hebben het gemeentebestuur en verweerder bij de afweging van alle betrokken belangen aan de verplaatsing van het attractiepark een groter belang toegekend dan aan de bouw van een woning door appellant. Hierbij nemen zij in aanmerking dat woningbouw op een afstand van 50 meter vanaf het attractiepark in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat deze woning mitsdien niet dient te worden gebouwd. Dat aan appellant is toegezegd dat hij de woning ondanks de komst van het attractiepark kan bouwen, is geen reden om af te wijken van de afstand van 300 meter die in de VNG-brochure wordt aanbevolen.

   De Afdeling acht deze belangenafweging niet onredelijk. De omstandigheid dat de beslissing van de gemeenteraad ertoe leidt, dat op het perceel van appellant geen goed woon- en leefklimaat is te verwezenlijken en een woning zou moeten worden onteigend en gesloopt, maakt dit niet anders. De wettelijke onteigeningsprocedure garandeert dat de gerechtigde volledig schadeloos wordt gesteld. Nu de woning nog niet is gerealiseerd geldt dit ten aanzien van het recht tot bouwen. De vaststelling van het bestemmingsplan mag er niet toe leiden dat de rechten van appellant beknot worden.

2.16.    Zoals is opgenomen onder overweging 2.5 stelt verweerder zich op het standpunt dat het gemeentebestuur door het bieden van een redelijke financiële compensatie voldoende tegemoet kan komen aan de verwachtingen die bij appellant zijn gewekt. Verweerder heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat bij het bieden van de compensatie de waarde van het perceel met inbegrip van een daarop rustend bouwrecht als uitgangspunt wordt genomen.

2.17.    Zoals blijkt uit overweging 2.12 is de bouwvergunning die appellant heeft aangevraagd nog in procedure. Niet in geschil is dat daarop met inachtneming van het voorgaande bestemmingsplan dient te worden beslist.

2.18.    Op grond van het in overweging 2.7. geciteerde artikel 3 van de planvoorschriften, is de bouw van een woning op het perceel niet mogelijk. Door het bestemmingsplan goed te keuren terwijl de procedure inzake de aanvraag om bouwvergunning nog niet is afgerond, is niet uit te sluiten dat het onderhavige bestemmingsplan in enig stadium van die procedure het toetsingskader gaat vormen voor het verlenen van de bouwvergunning. Dit heeft invloed op de waarde van het perceel met inbegrip van een daarop rustend bouwrecht en daarmee op de positie voor appellant bij onderhandelingen omtrent de aankoop door de gemeente van zijn perceel. Verweerder heeft dit miskend. Gelet hierop berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering en is het evenmin zorgvuldig voorbereid. Reeds hierom is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.19.    Het uitgangspunt van verweerder, dat bij het bieden van financiële compensatie aan appellant de waarde van het perceel met inbegrip van een daarop rustend bouwrecht als uitgangspunt moet worden genomen, leidt er toe dat hij geen nieuw besluit tot goedkeuring van het onderhavige bestemmingsplan kan nemen dan voordat er onherroepelijk is beslist omtrent de aanvraag om bouwvergunning ofwel overeenstemming is bereikt over de aankoop door het gemeentebestuur van het perceel. Daarom draagt de Afdeling verweerder op om niet eerder een besluit omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan te nemen dan nadat er onherroepelijk is beslist omtrent de aanvraag om bouwvergunning ofwel overeenstemming is bereikt over de aankoop door de gemeente van het perceel.

2.20.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.          

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 28 juni 2005, kenmerk 605857;

III.    draagt het college van gedeputeerde staten van Fryslân op niet eerder een besluit omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan te nemen dan nadat er onherroepelijk is beslist omtrent de aanvraag om bouwvergunning ofwel overeenstemming is bereikt over de aankoop door de gemeente van het perceel;

IV.    gelast dat de provincie Fryslân aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Neuwahl

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

280-463.