Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200509941/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 29 november 2004 heeft de hoofdofficier van justitie te Rotterdam (hierna: de hoofdofficier van justitie) aan appellanten meegedeeld dat zij voorkomen op de zogenoemde "zwarte lijst" en daarbij heeft hij de letterlijke inhoud verstrekt van hetgeen in die lijst over appellanten is vermeld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 8
Wet bescherming persoonsgegevens 34
Wet bescherming persoonsgegevens 40
Wet bescherming persoonsgegevens 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WBP 2009/178 met annotatie van prof. mr. G. Overkleeft-Verburg
JB 2006/254 met annotatie van M.O-V.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509941/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Rotterdam, alsmede acht aan hen gelieerde besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, alle gevestigd te Rotterdam,

tegen de uitspraak in zaak no. BESLU 05/936 van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Rotterdam als voorzitter van de Stuurgroep Alijda.

1.    Procesverloop

Bij brief van 29 november 2004 heeft de hoofdofficier van justitie te Rotterdam (hierna: de hoofdofficier van justitie) aan appellanten meegedeeld dat zij voorkomen op de zogenoemde "zwarte lijst" en daarbij heeft hij de letterlijke inhoud verstrekt van hetgeen in die lijst over appellanten is vermeld.

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft de hoofdofficier van justitie naar aanleiding van het door appellanten gemaakte bezwaar meegedeeld dat plaatsing op de lijst geen besluit is.

Bij uitspraak van 24 oktober 2005, verzonden op 25 oktober 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 2 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 januari 2006 heeft de hoofdofficier van justitie van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2006, waar [appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft, en de hoofdofficier van justitie, vertegenwoordigd door mr. J. Bootsma, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 12 september 2003 hebben het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het OM van Rotterdam, de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, de Belastingdienst Rijnmond en de FIOD-ECD een convenant gesloten om de overlast en de illegale/onrechtmatige praktijken van Rotterdamse huiseigenaren te bestrijden, het woon- en leefklimaat van bewoners van Rotterdam te verbeteren, de onveiligheidsgevoelens te verminderen en misbruik van overheidsgelden tegen te gaan.

   Bij dit convenant, het "Convenant Alijda, gericht op de integrale aanpak van panden en malafide huiseigena(a)r(en)", behoort een privacyregeling, te weten de "Privacyregeling Alijda-project panden en de malafide huiseigena(a)r(en)" (hierna: de Privacyregeling).

   In artikel 1, onder a, van de Privacyregeling is bepaald dat onder het Alijda-project wordt verstaan: persoonsgerichte integrale aanpak van panden en malafide huiseigenaren in Rotterdam ten behoeve van bovenvermelde doelstellingen.

   Blijkens artikel 5, eerste lid, in samenhang met artikel 6, eerste lid, van de Privacyregeling worden in het kader van het Alijda-project persoonsgegevens geregistreerd van huiseigenaren met betrekking tot wie een indicatie bestaat dat zij zich bezig houden met malafide praktijken.

2.2.    In geding is de plaatsing van appellanten op de zogenoemde "Alijda-lijst" van mogelijk malafide huiseigenaren, van welke plaatsing zij bij brief van de hoofdofficier van justitie van 29 november 2004 in kennis zijn gesteld.

2.3.    Appellanten bestrijden het oordeel van de rechtbank dat de beslissing om hen op de lijst te plaatsen geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zij betogen dat de lijst, anders dan de rechtbank heeft overwogen, externe werking heeft en dat plaatsing daarop rechtsgevolgen heeft.

2.3.1.    Het betoog slaagt niet. De plaatsing op de "Alijda-lijst", die niet berust op een wettelijk voorschrift, brengt geen wijziging in de rechtspositie van appellanten. Deze lijst heeft blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting uitsluitend een intern karakter. Zij wordt volgens de hoofdofficier van justitie gebruikt om prioriteiten te stellen bij het uit te voeren toezicht en is een hulpmiddel bij de handhaving. Weliswaar kan plaatsing op de lijst voor de afzonderlijke convenantpartijen aanleiding zijn om te besluiten tot bijzondere maatregelen, maar dit betekent niet dat beslissingen over plaatsing op de lijst zelfstandig op rechtsgevolg zijn gericht. De rechtbank is derhalve terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de beslissing om appellanten op de "Alijda-lijst" te plaatsen, geen besluit is.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Visser

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

148.