Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3723

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200508856/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (hierna: het college) aan Westhoek Wonen een vergunning verleend voor het slopen van 12 woningen, gelegen aan de Prins Bernhardlaan 4 t/m 26 te Vinkeveen (hierna: de sloopvergunning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508856/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. SBR 04/3190 en 04/3191 van de

rechtbank Utrecht van 5 september 2005 in het geding tussen:

[appellant en wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (hierna: het college) aan Westhoek Wonen een vergunning verleend voor het slopen van 12 woningen, gelegen aan de Prins Bernhardlaan 4 t/m 26 te Vinkeveen (hierna: de sloopvergunning).

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft het college het daartegen door onder meer appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2005, verzonden op 12 september 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door onder meer appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 december 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 11 januari 2006 heeft Westhoek Wonen een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R.P.J. Hendrikx, advocaat te Amstelveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. de Vink-Bregman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente De Ronde Venen (hierna: de bouwverordening) is het verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

   Ingevolge artikel 8.1.6 van de bouwverordening moet een sloopvergunning worden geweigerd indien:

a.   de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

b.   de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c.   een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

d.   een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;

e.   een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.

   Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt het bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a.   de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b.   die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

2.2.    Anders dan appellant betoogt, is, gelet op de aan het besluit van 4 juni 2004 verbonden voorwaarde met betrekking tot het verwijderen van asbest, niet aannemelijk dat aanwezigheid van asbest in de woningen er toe zal leiden dat de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en dat derhalve sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8.1.6, aanhef en onder a, van de bouwverordening, op grond waarvan de sloopvergunning moet worden geweigerd.

2.3.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 8.1.6 van de bouwverordening er niet aan in de weg staat dat een sloopvergunning kan worden geweigerd op andere gronden dan die, genoemd in deze bepaling, faalt evenzeer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 14 december 2005 in zaak no. 200502035/1 en 200502104/1 kan en moet een sloopvergunning alleen dan worden geweigerd, indien zich één van de in artikel 8.1.6 van de bouwverordening genoemde weigeringsgronden voordoet. Zo dit al niet uit de bewoordingen van deze bepaling volgt, blijkt dit voldoende duidelijk uit de toelichting bij artikel 8.1.6 van de bouwverordening, waarin is opgenomen dat de in deze bepaling vermelde weigeringsgronden limitatief zijn. In hetgeen door appellant is aangevoerd wordt geen grond gevonden hierover thans anders te oordelen. De door appellant overgelegde vonnissen van de kantonrechter Utrecht van 16 februari 2000 en van de rechtbank Utrecht van 20 december 2000 zijn in deze procedure niet relevant, nu de vraag of uit civielrechtelijk oogpunt al dan niet een belemmering bestaat van de sloopvergunning gebruik te maken, in deze procedure niet ter discussie staat.

2.4.    Nu het college gehouden was de gevraagde sloopvergunning te verlenen, bestond voor het afwegen van belangen geen ruimte. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan het in artikel 4:8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb vermelde vereiste. Anders dan appellant betoogt, bestond voor het college dan ook geen verplichting krachtens artikel 4:8 van de Awb appellant in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

66-423.