Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3715

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200506748/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 13 maart 2003, heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Noord van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellant vrijstelling geweigerd voor het gebruik van de aanwezige opstallen op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Amsterdam (hierna: het perceel), ten behoeve van woondoeleinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506748/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/618 van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Noord van de gemeente Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 13 maart 2003, heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Noord van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellant vrijstelling geweigerd voor het gebruik van de aanwezige opstallen op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Amsterdam (hierna: het perceel), ten behoeve van woondoeleinden.

Bij besluit van 23 december 2003 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het dagelijks bestuur het besluit van

23 december 2003 gewijzigd, bepaald dat het gebruik als recreatiewoning voor wat betreft een deel van de opstallen op het perceel (te weten de voormalige kaakberg en schuur 1) onder de werking van het overgangsrecht van het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan "Holysloot 1984" (hierna: het bestemmingsplan) valt en het besluit van 23 december 2003 voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 1 juli 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door appellant tegen het besluit van 23 december 2003 ingestelde beroep, voor zover dit ziet op de voormalige kaakberg en schuur 1, niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen de besluiten van 23 december 2003, voor zover dit ziet op schuur 2, en van 25 januari 2005 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 november 2005 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.H. Reverman, gemachtigde, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Nooij, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het geschil betreft de weigering van het dagelijks bestuur om appellant vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen voor het gebruik van een drietal opstallen op het perceel, door partijen aangeduid als schuur 1, schuur 2 en de voormalige kaakberg, ten behoeve van permanente woondoeleinden.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de beslissing op bezwaar van 23 december 2003, voor zover dit besluit ziet op de voormalige kaakberg en schuur 1.

   Dit betoog slaagt. Het dagelijks bestuur heeft hangende de beroepsprocedure bij de rechtbank een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Bij dit nieuwe besluit heeft het dagelijks bestuur het besluit van

23 december 2003 gewijzigd, uitsluitend voor zover dit zag op de toepasselijkheid van het overgangsrecht op het gebruik van schuur 1 en de voormalige kaakberg als recreatiewoning. Het besluit van 23 december 2003 is, wat betreft de weigering van vrijstelling voor het gebruik van schuur 1 en de voormalige kaakberg voor permanente bewoning, in stand gebleven. Nu het beroep van appellant bij de rechtbank tevens was gericht tegen deze weigering van vrijstelling heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 23 december 2003, voor zover betrekking hebbend op schuur 1 en de voormalige kaakberg, ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.3.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de toepasselijkheid van het in het bestemmingsplan "Holysloot 1984" opgenomen overgangsrecht met betrekking tot het gebruik van de opstallen op het perceel.

   Dit betoog treft eveneens doel. Appellant heeft met het oog op het door hem beoogde gebruik van de opstallen voor permanente bewoning een verzoek ingediend om vrijstelling van het bestemmingsplan en daarbij tevens te kennen gegeven dat bedoeld gebruik zijns inziens ingevolge het bij dit bestemmingsplan behorende overgangsrecht is toegestaan en vrijstelling derhalve niet nodig zou zijn. Het dagelijks bestuur diende derhalve, zoals het ook heeft gedaan, bij zijn besluit die vraag te beantwoorden. De rechtbank is ten onrechte aan dat, door appellant bestreden, antwoord voorbijgegaan.

2.4.    Gelet op het voorgaande komt de Afdeling aan hetgeen appellant overigens betoogt niet meer toe.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de Wet op de Raad van State terugwijzen naar de rechtbank.

2.6.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van die kosten te beslissen. De rechtbank dient overigens ook omtrent de vergoeding van de proceskosten in beroep te beslissen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2005, AWB 04/618;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten vast op een bedrag van

€ 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent vergoeding van deze kosten;

V.    gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

328-503.