Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200506252/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsberging op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Westzaan (hierna: het perceel), gemeente Zaanstad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506252/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/1657 en 05/1658 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 6 juni 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsberging op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Westzaan (hierna: het perceel), gemeente Zaanstad.

Bij besluit van 25 april 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2005, verzonden op 7 juni 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Vergunninghouder is op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt.

Bij besluit van 13 september 2005 heeft het college vergunninghouder bouwvergunning verleend voor het oprichten van een bedrijfsberging op het perceel.

Bij besluit van 6 januari 2006 heeft het college de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 16 november 2004 gegrond verklaard, het besluit van 16 november 2004 herroepen en alsnog bouwvergunning geweigerd.

Bij besluit van 6 januari 2006 heeft het college de bezwaren van appellanten gericht tegen het besluit van 13 september 2005 ongegrond verklaard.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2006, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Marinus, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. A.P.J. Schram, advocaat te Haarlem.

Overwegingen

2.1.    Het bouwplan waarvoor bij het besluit van 16 november 2004 bouwvergunning is verleend voorziet in de oprichting van een berging met een lengte van 12,45 m, een breedte van 7,5 m en een nokhoogte van 5,9 m.

2.2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied Westzaan" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische bouwpercelen AC".

   Ingevolge artikel 1, onder s, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt onder volwaardig agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat volledige werkgelegenheid biedt voor ten minste één arbeidskracht met een aanvaardbaar inkomen en waarvan de continuïteit als agrarische onderneming blijkens een advies van de Dienst Landbouwvoorlichting kan worden verzekerd.

   Ingevolge artikel 22, eerste lid en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Agrarische bouwpercelen (AC)" bestemd voor volwaardige agrarische bedrijven in de grondgebonden veehouderij.

   Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a.    gebouwen waaronder begrepen per bestemmingsvlak ten hoogste     één bedrijfswoning;

b.     andere bouwwerken.

   Ingevolge artikel 22, zesde lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders ingevolge artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) bevoegd de bestemming "Agrarisch bouwperceel" geheel of gedeeltelijk te wijzigen in de bestemmingen "Woonhuizen, Aanbouwen, Erven A en Erven B en Veenweidegebied" indien er sprake is van gehele of gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat voormeld bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat het aan de westzijde het vlak met de bestemming "Agrarische bouwpercelen (AC)" gedeeltelijk overschrijdt.

2.4.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter hun primaire beroepsgrond dat het bouwplan in strijd is met artikel 22 van de planvoorschriften omdat ter plaatse geen volwaardig agrarisch bedrijf in de grondgebonden veehouderij wordt geëxploiteerd ten onrechte heeft verworpen. Appellanten stellen hiertoe dat, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, het bestemmingsplan dwingt tot de opvatting dat een volwaardig agrarisch bedrijf de hoofdvestiging ter plaatse dient te hebben en dat tekst en strekking van het bestemmingsplan derhalve niet toelaten dat een bedrijfsberging op het perceel wordt geplaatst ten behoeve van een elders gevestigd agrarisch bedrijf. Voorts stellen zij dat op het perceel geen of nagenoeg geen agrarische activiteiten worden ontplooid.

2.4.1.    Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat vergunninghouder een agrarisch bedrijf in de grondgebonden veehouderij exploiteert met vestigingen te Santpoort, Egmond, Middenmeer en Westzaan, met als hoofdvestiging Egmond. Niet in geschil is dat de vestiging te Westzaan op zichzelf beschouwd niet is aan te merken als volwaardig agrarisch bedrijf in de grondgebonden veehouderij.

2.4.2.    Anders dan appellanten betogen, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat artikel 22, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften niet dwingt tot de opvatting dat een volwaardig agrarisch bedrijf zijn hoofdvestiging ter plaatse dient te hebben. Vereist is slechts dat sprake is van een volwaardig bedrijf in de grondgebonden veehouderij ten behoeve waarvan eventuele bebouwing wordt opgericht.

Een redelijke uitleg van de planvoorschriften brengt echter mee dat de bedrijfsvestiging ter plaatse uit een oogpunt van dagelijkse bedrijfsvoering in een zodanige mate samenhangt met de elders gelegen hoofdvestiging dat in dit opzicht sprake is van een functionele verwevenheid. Een louter economische samenhang is niet voldoende.

   Aangenomen dat een feitelijk verband bestaat tussen de vestiging te Westzaan en de hoofdvestiging van het bedrijf van vergunninghouder, ter zitting is onduidelijk gebleven welke agrarische activiteiten op het perceel plaatsvinden, is in het licht van de afstand tussen beide vestigingen - ongeveer 25 kilometer - en het zeer marginale karakter van de feitelijke bedrijfsactiviteiten ter plaatse en het aldaar uitgeoefende bedrijfstoezicht, van een functionele relatie als vorenbedoeld geen sprake. Van een volwaardig agrarisch bedrijf in de grondgebonden veehouderij in vorenbedoelde zin op het perceel is dan ook geen sprake, zodat het bouwplan in strijd met artikel 22, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften is.

De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

2.4.3.    In verband met het vorengaande komt de Afdeling aan hetgeen appellanten overigens hebben betoogd niet meer toe.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. Nu echter de beslissing in de aangevallen uitspraak juist is, dient deze, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6.    Het college heeft bij besluit van 13 september 2005, naar aanleiding van een door vergunninghouder op 22 juni 2005 gedane aanvraag waarbij de situering van de beoogde bouw enigszins is gewijzigd, opnieuw bouwvergunning verleend voor het oprichten van een berging op het perceel. Bij besluit van 6 januari 2006 heeft het college het hiertegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.7.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 maart 2005 in zaak no. 200403172/1 zijn, indien hangende een bezwaar- of beroepschriftprocedure met betrekking tot een bouwvergunning bij nader besluit naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag bouwvergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan waarvoor de eerdere bouwvergunning is verleend, op dat nadere besluit de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van toepassing, mits die wijziging van ondergeschikte aard is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat voor een dergelijke wijziging volgens vaste jurisprudentie geen nieuwe bouwaanvraag nodig zou zijn geweest.

   Blijkens de in het dossier aanwezige bouwtekeningen wijkt het op 13 september 2005 vergunde bouwplan slechts wat betreft situering af ten opzichte van het op 16 november 2004 vergunde bouwplan, te weten een verschuiving van het bouwwerk van ongeveer 1 meter in de lengterichting. Nu voornoemde bouwplannen voor het overige gelijk zijn, is naar het oordeel van de Afdeling sprake van een wijziging van ondergeschikte aard, zodat het heroverwegingsbesluit van 6 januari 2006 eveneens onderwerp van dit geding is.

2.8.    Zoals reeds in overweging 2.4.1. overwogen is op het perceel geen sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf in de grondgebonden veehouderij. Het bouwplan is dan ook in strijd met artikel 22, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften. In verband hiermede, komt de Afdeling aan hetgeen appellanten verder betogen niet meer toe.

2.9.    Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten tegen het besluit van 6 januari 2006 gegrond is. Om deze reden zal de Afdeling dit besluit vernietigen.

2.10.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop deze rust;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 6 januari 2006, kenmerk AWB/2005/0947 Z/2005/71970, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van 6 januari 2006, kenmerk AWB/2005/0947 Z/2005/71970;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zaanstad aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Zaanstad aan appellanten het door hen voor de behandeling van hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

328-503.