Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200505949/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beemster (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van stallen, een overkapping, een kantine en een milieuruimte (hierna: de bebouwing) op het perceel [locatie] (hierna: het perceel), alsmede vrijstelling verleend voor het gebruik van agrarische gronden als parkeerplaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505949/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Beemster,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04-819 van de rechtbank Haarlem van 26 mei 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Beemster.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beemster (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van stallen, een overkapping, een kantine en een milieuruimte (hierna: de bebouwing) op het perceel [locatie] (hierna: het perceel), alsmede vrijstelling verleend voor het gebruik van agrarische gronden als parkeerplaatsen.

Bij besluit van 29 maart 2004 heeft het college, voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2005, verzonden op 1 juni 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover dat betrekking heeft op de voor de aanleg van twee parkeerterreinen verleende vrijstelling, het besluit van 29 maart 2004 in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij besluit van 26 januari 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, vrijstelling verleend voor de aanleg van twee parkeerplaatsen op het perceel.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.J.W. Bult, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Appellanten zijn met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder].

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er zijn nog stukken ontvangen van appellanten en het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2.    Overwegingen

2.1.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank hun beroep ten onrechte aldus heeft uitgelegd dat ten behoeve van het bouwplan toepassing had moeten worden gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), in plaats van aan het tweede lid van dat artikel, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Niet valt in te zien dat appellanten in hun belangen zijn geschaad, doordat de rechtbank eveneens heeft bezien of de ten behoeve van de bebouwing verleende vrijstelling op de voet van artikel 19, tweede lid, van de WRO kon worden verleend.

2.2.    Appellanten keren zich verder tegen het oordeel van de rechtbank dat de ruimtelijke onderbouwing van de voor de bebouwing verleende vrijstelling voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

2.2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" is aan het perceel de bestemming "Maneges" toegekend. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor de beoefening van de ruitersport, alsmede voor het fokken en verzorgen van paarden en open terreinen waaronder parkeerplaatsen.

2.2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 14 mei 2003 in zaak no. 200204703/1 (BR 2003, p. 791), zijn de aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen minder zwaar, naarmate de inbreuk van het bouwplan ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend op het bestaande planologische regime geringer is.

2.2.3.    Met het bouwplan wordt de bestaande bebouwing, voor het merendeel binnen het bebouwingsvak, met 306,3 m2 uitgebreid tot 1816,3 m2. Een oppervlakte van 87 m2 is pal naast het bebouwingsvak voorzien. Het bebouwingspercentage, zoals dat binnen het bebouwingsvak geldt, wordt met minder dan 10% overschreden. Voorts wordt de in het bouwplan voorziene bebouwing grotendeels aan het zicht onttrokken door de reeds binnen het bebouwingsvak gebouwde stallen, zodat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat geen inbreuk wordt gemaakt op de openheid van het gebied. Gelet hierop en in aanmerking genomen de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan reeds biedt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan een geringe inbreuk maakt op het bestaande planologische regime. In verband hiermee is er geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. De omstandigheid dat, zoals appellanten naar voren hebben gebracht, de bezwaarschriftencommissie in haar advies tot een andere conclusie is gekomen, geeft geen aanleiding hier anders over te oordelen.

2.2.4.    Gelet op de gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan, alsmede op de bebouwing die eerder in overeenstemming met het bestemmingsplan is opgericht, is er geen grond voor het oordeel dat het college bij het verlenen van de vrijstelling voor de bebouwing onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het belang van appellanten bij het behoud van hun woonklimaat. Het daarop gerichte betoog faalt dan ook. Ditzelfde geldt voor het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat met de onder vrijstelling verleende bouwvergunning illegale bouwwerken worden gelegaliseerd, nu niet valt in te zien dat die omstandigheid noopt tot een ander oordeel omtrent de door het college gemaakte belangenafweging.

2.3.    Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Bij het besluit van 26 januari 2006 heeft het college, naar aanleiding van de aangevallen uitspraak, vrijstelling verleend voor de aanleg van twee parkeerplaatsen. Zoals ter zitting door het college is bevestigd, strekt dit besluit wederom tot ongegrondverklaring van de bezwaren van appellanten. Nu bij dit nieuwe besluit niet geheel aan de bezwaren van appellanten is tegemoetgekomen, wordt hun hoger beroep, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

   Ten behoeve van de verlening van deze vrijstelling heeft de raad van de gemeente Beemster op 29 september 2005 een voorbereidingsbesluit genomen. Het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 maart 2006 ongegrond, respectievelijk niet-ontvankelijk verklaard. Gebleken is dat bij de rechtbank Haarlem een beroep tegen dat besluit aanhangig is.

   Aangezien de bij het besluit van 26 januari 2006 verleende vrijstelling steunt op het voorbereidingsbesluit van 29 september 2005, wordt het beroep daartegen verwezen naar de rechtbank Haarlem.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verwijst het beroep van appellanten tegen het besluit van 26 januari 2006 naar de rechtbank Haarlem.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart    w.g. Van den Ende

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

275.