Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3708

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200508430/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2005, heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: de stadsdeelraad) op voorstel van het dagelijks bestuur van 16 december 2004 het wijzigingsplan "Tweede wijziging bestemmingsplan Leidse- en Weteringbuurt 1998" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508430/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd en wonend te Amsterdam,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2005, heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam (hierna: de stadsdeelraad) op voorstel van het dagelijks bestuur van 16 december 2004 het wijzigingsplan "Tweede wijziging bestemmingsplan Leidse- en Weteringbuurt 1998" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 augustus 2005, kenmerk 2005-27173, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 3 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 december 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten, het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum en de Garantibank International N.V. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2006, waar [een van de appellanten], in persoon en vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij de stichting "Wijkcentrum d' Oude Stadt", en verweerder, vertegenwoordigd door W.J. Ardewijn, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de stadsdeelraad, vertegenwoordigd door E.P. Swijter, ambtenaar van de gemeente, en de Garantibank International N.V., vertegenwoordigd door mr. G.H.J. Heutink, advocaat te Amsterdam.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Formeel bezwaar

2.2.    Appellanten voeren aan dat de bedenkingen die voorafgaand aan de vaststelling van het wijzigingsplan "Tweede wijziging bestemmingsplan Leidse- en Weteringbuurt 1998" (hierna: het wijzigingsplan) zijn ingebracht ten onrechte niet zijn betrokken bij de besluitvorming. Zij zijn van mening dat daardoor niet met de belangen van omwonenden rekening is gehouden, hetgeen in strijd is met artikel 13, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Leidse- en Weteringbuurt 1998" (hierna: het bestemmingsplan).

2.2.1.    Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, neemt de stadsdeelraad in geval van toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de volgende regels in acht:

a. het plan wordt gewijzigd na overleg met de bevolking van het plangebied en andere belanghebbenden;

b. het ontwerp-wijzigingsplan ligt gedurende vier weken voor een ieder ter inzage op het Stadhuis en in de buurt, voor zover mogelijk:

(…);

d. gedurende de termijn van terinzageligging kunnen belanghebbenden schriftelijk van hun bedenkingen tegen het ontwerp doen blijken;

e. de indiener van een onder d. bedoeld schrijven wordt in de gelegenheid gesteld mondeling zijn bedenkingen toe te lichten aan de daarvoor aangewezen raadscommissie;

(…).

2.2.2.    Uit de stukken blijkt dat het in artikel 13, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan bedoelde overleg heeft plaatsgevonden.

   Het ontwerp van het wijzigingsplan heeft van 10 oktober 2002 tot en met 6 november 2002 ter inzage gelegen.

   Tegen het ontwerp van het wijzigingsplan zijn tijdig bedenkingen ingediend door het Kerkstraatcomité.

   Voorts blijkt uit de stukken dat bij de vergaderingen van de raadscommissie voor bouwen, wonen, stedelijke ontwikkeling en openbare ruimtebeheer van het stadsdeel van respectievelijk 5 maart 2003, 4 juni 2003, 19 januari 2005 en 9 maart 2005 de gelegenheid is geboden tot een mondelinge toelichting op de bedenkingen.

   De bedenkingen zijn in het besluit van de stadsdeelraad van 31 maart 2005 ongegrond verklaard. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de ingediende bedenkingen niet bij de besluitvorming zijn betrokken.

Het plan

2.3.    Het wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel [locatie] en voorziet in de bouw van een parkeervoorziening in de eerste bouwlaag voor maximaal 6 auto's ter plaatse van het voornoemde perceel.

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. Zij voeren daartoe in de eerste plaats aan dat niet wordt voldaan aan artikel 9, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan en dat het wijzigingsplan in strijd is met de in artikel 3, tweede lid, onder A.1.b. van de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen beschrijving in hoofdlijnen. Voort betogen appellanten dat het advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg bij de besluitvorming is genegeerd en dat de monumentenvergunning op oneigenlijke gronden is verleend. Ter zitting hebben appellanten voorts aangegeven te vrezen voor een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft geen reden gezien het wijzigingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de monumentenvergunning thans onherroepelijk is en in het kader van de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Voorts is de wijziging volgens verweerder in overeenstemming met het toepasselijke beleid en is bij de besluitvorming rekening gehouden met het criterium van de stedenbouwkundige inpasbaarheid.

De vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    In het bestemmingsplan zijn de gronden waarop het pand ligt bestemd voor "Gemengde doeleinden" met de aanduiding "Woningen niet toegestaan".

2.6.2.    Bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 15 oktober 2001 is een vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 verleend voor het veranderen van de begane grond van het gebouw [locatie] ten behoeve van de verwezenlijking van de parkeervoorziening.

De toepasselijke voorschriften

2.7.    Artikel 3, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan behelst een beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop de bestemming "Gemengde doeleinden" wordt nagestreefd.

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder A.1.b., van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, dienen bij bouwwerken van vóór 1940 die op grond van hun hoge architectonische kwaliteit, hun plaats in de stedenbouwkundige structuur en/of als toonaangevend element in de gevelwand een belangrijke bijdrage leveren aan het stadsbeeld, oorspronkelijke gevelelementen te worden gehandhaafd en, indien nodig, hersteld.

   Ingevolge artikel 3, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, mogen op de gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden" uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

(…);

n. het is niet toegestaan de gevel te construeren of te wijzigen waardoor gesloten plinten ontstaan; bergingen mogen niet aan de straatzijde worden gesitueerd;

(…).

   Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, is de gemeenteraad bevoegd de bestemming te wijzigen teneinde in de eerste bouwlaag van gebouwen inpandige parkeervoorzieningen te realiseren, met dien verstande dat:

a. de breedte van de toegang tot de parkeervoorziening ten hoogste 3,50 meter bedraagt;

(…).

   Ingevolge artikel 3, elfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, zijn de overige criteria waaraan de gemeenteraad de wijzigingsbevoegdheid dient te toetsen, opgenomen in artikel 9 van de planvoorschriften.

   Artikel 9 van de voorschriften van het bestemmingsplan behelst een algemene beschrijving in hoofdlijnen van het beleid waaraan de vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden zullen worden getoetst.

   Ingevolge artikel 9, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, toetst de gemeenteraad bij de afweging om al dan niet gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheden voor ondergrondse of inpandige parkeervoorzieningen onder meer aan stedenbouwkundige inpasbaarheid. Daarbij is vermeld dat aan de grachten nieuwe inpandige parkeervoorzieningen niet gewenst zijn, tenzij gebruik kan worden gemaakt van een bestaande entree of anderszins een verdere aantasting van het straatbeeld kan worden voorkomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Uit de stukken en het onderzoek ter zitting is gebleken dat het geschil zich met name toespitst op de vraag of het wijzigingsplan in overeenstemming is met de wijzigingsvoorwaarde van de stedenbouwkundige inpasbaarheid als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan. Daarbij geldt volgens dit voorschrift als uitgangspunt dat aan de grachten nieuwe inpandige parkeervoorzieningen niet gewenst zijn. Dit uitgangspunt kan evenwel uitzondering vinden indien gebruik kan worden gemaakt van een bestaande entree of anderszins een verdere aantasting van het straatbeeld kan worden voorkomen.

   Niet in geding is dat ter plaatse van het perceel [locatie] geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaande entree zodat dient te worden beoordeeld of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stadsdeelraad de uitzondering dat anderszins een verdere aantasting van het straatbeeld kan worden voorkomen aanwezig heeft mogen achten. In de toelichting bij het wijzigingsplan is vermeld dat aantasting van het straatbeeld kan ontstaan indien plinten worden gesloten en kleinschalige bedrijvigheid verdwijnt. In beroep heeft de stadsdeelraad in een reactie nader uiteengezet dat van een aantasting van het straatbeeld sprake is wanneer door een ingreep de aanwezige openheid op de begane grond en de relatie tussen het pand of een reeks van panden en de straat minimaal wordt, waardoor de levendigheid op straat wordt beperkt. Ten aanzien van het onderhavige pand is evenwel al sprake van een gesloten plint, welke door het aanbrengen van een garagedeur niet geslotener wordt, aldus de stadsdeelraad. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat de entree van de parkeervoorziening zal worden aangebracht in een overwegend gesloten eerste bouwlaag, welke is vormgegeven als souterrain en in gebruik is als fietsenstalling en opslagruimte. Het voorgaande in aanmerking genomen bestaat in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in navolging van de stadsdeelraad op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verwezenlijking van de kleinschalige parkeervoorziening niet leidt tot een verdere aantasting van het straatbeeld.

2.8.1.    Voor zover appellanten stellen dat het wijzigingsplan door het mogelijk maken van een inpandige parkeervoorziening strijdig is met de in artikel 3, tweede lid, onder A.1.b., van de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen beschrijving in hoofdlijnen overweegt de Afdeling dat dit artikelonderdeel weliswaar ziet op bouwwerken van vóór 1940, maar niet op de in artikel 3, tweede lid, onder A.1.a. genoemde rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten, zodat artikel 3, tweede lid, onder A.1.b., niet van toepassing is op een rijksmonument als het onderhavige.

2.8.2.    Het bezwaar dat de monumentenvergunning op oneigenlijke gronden en met voorbijgaan aan het negatieve advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg is verleend, kan in deze procedure niet aan de orde komen, nu in de onderhavige procedure alleen het besluit van verweerder over de goedkeuring van het wijzigingsplan ter toetsing voorligt. Dit bezwaar blijft derhalve buiten beschouwing.

2.8.3.    De Afdeling is van oordeel dat hetgeen appellanten ter zitting hebben aangevoerd met betrekking tot de luchtkwaliteit buiten beschouwing dient te blijven, omdat het eerst ter zitting aanvoeren van een nieuw argument in strijd is met een goede procesorde. Daarbij neemt zij in aanmerking dat niet is gebleken dat appellanten dit niet eerder in beroep hadden kunnen inbrengen.

2.8.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan.

Het beroep van appellanten is ongegrond.

Proceskosten

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Taal

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

325-500.