Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3692

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200508374/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer, verleend voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij en boerderijcamping, gelegen op het perceel [locatie] te Kockengen. Dit besluit is op 1 september 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508374/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Behoud Veenweidegebied Kockengen", gevestigd te Kockengen, gemeente Breukelen,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Breukelen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer, verleend voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij en boerderijcamping, gelegen op het perceel [locatie] te Kockengen. Dit besluit is op 1 september 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 30 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door S.S. Koopmans, en verweerder, vertegenwoordigd door J.S. Verheul, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Buiten bezwaar van partijen is door vergunninghoudster ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellante stelt dat de camping in de vergunning onvoldoende is begrensd. Volgens haar had er bij het vastleggen van de begrenzing rekening mee gehouden moeten worden dat in de inrichting in het verleden illegaal een sloot is gedempt en had de westelijke begrenzing op ongeveer 200 meter van de openbare weg gelegd moeten worden.

2.3.1.    De Afdeling stelt voorop dat, zoals door appellante ter zitting is bevestigd, de begrenzing van de camping voldoende blijkt uit de bij de aanvraag behorende tekening, welke blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de verleende vergunning. Voor zover appellante zich tegen de in de aanvraag aangegeven begrenzing keert, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.4.    Appellante voert aan dat onvoldoende voorschriften zijn gesteld ter verzekering van een goede landschappelijke inpassing van de camping en ter voorkoming van onaanvaardbare visuele hinder.

2.4.1.    Ingevolge vergunningvoorschrift 11.1 moet de camping aan de noord- en zuidkant over de gehele lengte waar kampeermiddelen staan opgesteld, zijn voorzien van een randbeplanting met streekeigen bomen en struiken met zichtopeningen tot 5% van de coulisse, zodanig dat een goede afscherming ontstaat en inpassing in het landschap gerealiseerd wordt.

   Ingevolge vergunningvoorschrift 11.2 realiseert de vergunninghouder de beplanting binnen 12 maanden na het in werking treden van de vergunning. Het plan voor de randbeplanting en het onderhoud ervan wordt tevoren ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.

2.4.2.    De vraag of zich aantasting van landschappelijke waarden of visuele hinder voordoet komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich, mede gezien de in de vergunningvoorschriften 11.1 en 11.2 aan de noord- en zuidzijde van de camping voorgeschreven randbeplanting, niet zodanige visuele hinder of aantasting van landschappelijke waarden voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Voor zover appellante in dit verband aanvoert dat de op de camping aanwezige caravans in de winter onvoldoende door de randbeplanting aan het zicht zullen worden onttrokken, overweegt de Afdeling dat uit voorschrift 11.1 volgt dat ook in de winter de randbeplanting zodanig dient te zijn, dat een goede afscherming ontstaat en inpassing in het landschap wordt gerealiseerd. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5.    Appellante voert aan dat de aanwezigheid van de camping zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voor zover verweerder zich bij brief van 30 september 2003 op het standpunt heeft gesteld dat legalisatie van deze situatie onder voorwaarden mogelijk is, had hij de in die brief genoemde voorwaarden als voorschriften aan de thans verleende vergunning moeten verbinden, aldus appellante.

   Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 (oud) van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.6.    Appellante stelt dat uit de vergunning onvoldoende blijkt hoeveel kampeermiddelen op de camping aanwezig mogen zijn. In ieder geval is volgens appellante in strijd met de Wet op de openluchtrecreatie voor meer dan 15 kampeermiddelen vergunning verleend.

2.6.1.    Op de bij de aanvraag behorende tekening zijn 40 plaatsen voor caravans - waaronder 33 plaatsen op het middenterrein van de camping - en 9 plaatsen voor toeristisch kamperen aangegeven. Bij brief van 11 juni 2005, bij verweerder ingekomen op 15 juni 2005, die evenals voornoemde tekening blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de verleende vergunning, heeft vergunninghoudster, zowel schriftelijk als aan de hand van een bijgevoegde plattegrondtekening, op verzoek van verweerder een aanvulling dan wel verduidelijking gegeven van, voor zover hier van belang, het aangevraagde aantal kampeermiddelen. Blijkens deze brief en de bijgevoegde plattegrondtekening gaat het in totaal om 30 plaatsen voor caravans en 9 plaatsen voor wisselende kampeermiddelen. Het verschil van 10 caravanplaatsen wordt volgens verweerder verklaard doordat op de tekening bij de aanvraag per abuis op het middenterrein van de camping een aantal van 33 in plaats van 23 caravans is vermeld. Mede gezien de bij de brief van 11 juni 2005 gevoegde plattegrondtekening is verweerder er terecht van uitgegaan dat deze aanvulling van de aanvraag zo moet worden opgevat dat hiermee het op de tekening bij de aanvraag per abuis genoemde aantal van 33 caravanplaatsen op het middenterrein is vervangen door de op de plattegrondtekening bij de brief op het met een 3 aangegeven terreingedeelte vermelde 11 + 12 caravanplaatsen. Gezien het vorenstaande is het voldoende duidelijk dat in totaal 39 kampeermiddelen zijn aangevraagd en vergund. De grond treft derhalve geen doel.

   Voor zover appellante stelt dat de vergunning in strijd is met de Wet op de openluchtrecreatie, overweegt de Afdeling dat deze grond geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 (oud) van de Wet milieubeheer en derhalve niet kan slagen.

2.7.    Appellante vreest dat de vergunning niet zal worden nageleefd. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning.

2.8.    Appellante heeft zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellante heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging onjuist zou zijn.

2.9.    Het beroep is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. Van Gemert

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

154-462.