Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200603906/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Oostelijke Vastgoed en Ontwikkelingsmaatschappij OVOM B.V." (hierna: OVOM), onder ontheffing van de bouwverordening, bouwvergunning verleend voor de bouw van een appartementengebouw met winkelruimte en parkeergelegenheid op het perceel Houthof 47 te Nijmegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603906/2.

Datum uitspraak: 6 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker A], wonend te [woonplaats], [verzoeker B] en de vereniging "Vereniging van eigenaars appartementsrechten winkels/woningen en bergingen, Stikke Hezelstraat, oneven nummers" (hierna: de VVE), wonend, respectievelijk gevestigd te Nijmegen,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/1079 en 06/1654 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 8 mei 2006 in het geding tussen:

verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Oostelijke Vastgoed en Ontwikkelingsmaatschappij OVOM B.V." (hierna: OVOM), onder ontheffing van de bouwverordening, bouwvergunning verleend voor de bouw van een appartementengebouw met winkelruimte en parkeergelegenheid op het perceel Houthof 47 te Nijmegen.

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft het college het daartegen door verzoekers gemaakte bezwaar ongegrond respectievelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2006, verzonden op 22 mei 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 26 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2006, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juni 2006, waar verzoekers in de personen van [verzoeker A] en [verzoeker B], en het college, vertegenwoordigd door A.J.C. van der Heijden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord OVOM, vertegenwoordigd door J.P de Wit en M.P.J. Scherpenborg, bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Nijmegen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het betoog van verzoekers dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van de VVE terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, leent zich niet voor een beoordeling in de procedure van de voorlopige voorziening. Aan de vraag of het oordeel van de voorzieningenrechter juist is, kan thans voorbij worden gegaan, nu de voorzieningenrechter op basis van het beroep van [verzoeker A] en [verzoeker B] tot een inhoudelijke beoordeling is gekomen.

2.3.    Genomen besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt geldt temeer, indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het tegen het besluit ingestelde beroep ongegrond heeft bevonden.

2.4.    Verzoekers betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de volgens het bestemmingsplan toegelaten maximum bouwhoogte van 15 meter wordt overschreden.

2.4.1.    Uit de planvoorschriften volgt dat de maximum goot- en nokhoogte van het gebouw dient te worden gemeten vanaf het peil, dat - zo is tussen partijen niet in geschil - moet worden bepaald op de bovenkant van het trottoir. Op basis van nameting van de tot de bouwvergunning behorende bestektekening (bladno. 052-1), stelt de Voorzitter vast dat de nokhoogte van het gebouw de hoogte van 15 meter met ongeveer 15 centimeter overschrijdt. Voor zover deze overschrijding het gevolg is van de op een hoger niveau dan de dakbedekking gelegen afdekking van de spouwmuren, kan de door het college gegeven uitleg dat die afdekking als een technische ruimte buiten de berekening van de maximum bouwhoogte dient te blijven, naar voorlopig oordeel niet worden gevolgd.

   Gelet op de geringe overschrijding van de maximum bouwhoogte en de mogelijkheid om op grond van het bestemmingsplan vrijstelling te verlenen voor een afwijking van de hoogtematen met 10%, waarvan het college zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat die zonodig kan worden verleend, ziet de Voorzitter in deze overschrijding evenwel geen aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op voorhand niet valt in te zien dat de vorenbedoelde vrijstellingsbevoegdheid - zoals verzoekers hebben betoogd - in dit geval buiten toepassing dient te blijven.

2.5.    In het betoog van verzoekers dat ten onrechte ontheffing is verleend van de uit artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening voortvloeiende verplichting om met het bouwplan in voldoende mate in parkeergelegenheid te voorzien, ziet de Voorzitter geen aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen, nu voorshands niet aannemelijk is dat geen compensatie kan worden gevonden voor de zes ontbrekende parkeerplaatsen.

2.6.    In hetgeen verzoekers overigens naar voren hebben gebracht is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de bouwvergunning niet mocht worden verleend.

2.7.    Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Van den Ende

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006

275.