Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200603829/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft verzoeker, voor zover hier van belang, voor het grondgebied van de provincie Limburg aangewezen als bedoeld in artikel 67 van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw):

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603829/2.

Datum uitspraak: 6 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verzoeker,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2304 van de rechtbank Maastricht van 14 april 2006 in het geding tussen:

de stichting "Stichting De Faunabescherming", gevestigd te Amstelveen

en

verzoeker.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft verzoeker, voor zover hier van belang, voor het grondgebied van de provincie Limburg aangewezen als bedoeld in artikel 67 van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw):

- houders van een geldige jachtakte als categorie van personen die de in bijlage 1 genoemde soorten mogen beperken met het geweer of met honden, niet zijnde lange honden, op de gronden waar zij gerechtigd zijn gebruik te maken van het geweer of honden, in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of ter voorkoming van schade aan flora en fauna;

- jachthouders en grondgebruikers in de provincie Limburg als categorieën van personen die de in bijlage 1 genoemde zoogdieren mogen beperken met gebruikmaking van een kastval ter voorkoming van schade aan de fauna;

- houders van een geldige valkeniersakte als categorie van personen die de in bijlage 1 genoemde soorten mogen beperken met gefokte jachtvogels, te weten slechtvalken en haviken, op gronden waar ze gerechtigd zijn te jagen, of op andere gronden met toestemming van de grondgebruiker, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of ter voorkoming van schade aan flora en fauna.

In bijlage 1 bij het besluit zijn genoemd de beverrat, de muskusrat, de verwilderde gedomesticeerde grauwe gans, de grote Canadese gans, de verwilderde duif, de nijlgans, de rosse stekelstaart, de verwilderde kat, de verwilderde nerts en het verwilderde damhert.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft verzoeker het daartegen door de stichting "Stichting De Faunabescherming" (hierna: de stichting) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 april 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door de stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen en het besluit van 5 juli 2005 geschorst tot en met zes weken nadat opnieuw op het bezwaar zal zijn beslist.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2006, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, eveneens bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2006, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juni 2006, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Pouw en L.J.J. Heijkers, ambtenaren van de provincie, en de stichting, vertegenwoordigd door [secretaris] van de stichting, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Limburg, de Stichting Faunabeheereenheid Midden-Limburg en de Stichting Faunabeheereenheid Zuid-Limburg, alle vertegenwoordigd door [adjunct-secretaris] van deze stichtingen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Beoordeling van de door verzoeker opgeworpen rechtsvragen over de toepassing van artikel 67 van de Flora- en faunawet, zoals verwoord in het hoger beroepschrift, leent zich minder goed voor beantwoording in het kader van de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening en dient plaats te vinden bij de behandeling van het geschil in de bodemprocedure.

2.3.    Wat betreft het verzoek om de door de rechtbank ingevolge artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht getroffen voorlopige voorziening op te heffen overweegt de Voorzitter het volgende.    

   De rechtbank heeft het besluit van 5 juli 2005 geschorst tot en met zes weken nadat opnieuw op het bezwaar van de stichting zal zijn beslist omdat op grond van dat besluit de in bijlage 1 genoemde dieren onbeperkt kunnen worden gedood. Verzoeker wenst opheffing van deze schorsing omdat belangrijke schade aan met name landbouwgewassen kan ontstaan indien genoemde dieren niet gedood mogen worden. Nu de Flora- en faunawet ertoe strekt in het wild levende dieren te beschermen en verzoeker voorts niet of nauwelijks heeft onderbouwd hoeveel schade door de in bijlage 1 genoemde dieren wordt aangericht, terwijl voorshands niet valt in te zien dat dergelijke schade slechts aannemelijk kan worden gemaakt indien een schadevergoedingsregeling van toepassing is, acht de Voorzitter het gestelde belang bij het voorkomen van schade onvoldoende spoedeisend en zwaarwegend om het verzoek tot opheffing van schorsing te honoreren.

2.4.    Ook het verzoek om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de opdracht van de rechtbank om een nieuwe beslissing op het bezwaar van de stichting te nemen vooralsnog niet hoeft te worden uitgevoerd, wijst de Voorzitter af. Aan dat verzoek ligt slechts ten grondslag dat verzoeker procesbelang wenst te behouden bij de beoordeling van zijn hoger beroep. Een bestuursorgaan heeft, indien de rechtbank een besluit daarvan heeft vernietigd, in beginsel procesbelang bij een ingesteld hoger beroep. Dit belang gaat niet verloren indien een bestuursorgaan ter uitvoering van de rechtbankuitspraak opnieuw op het bezwaar beslist.

2.5.    Verzoeker dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    wijst het verzoek af;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij de stichting "Stichting De Faunabescherming" in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 34,23 (zegge: vierendertig euro en drieëntwintig cent); het bedrag dient door de provincie Limburg aan de stichting "Stichting De Faunabescherming" onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Mathot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006

413.