Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3680

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200603448/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een fokzeugenvermeerderingsbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 31 maart 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603448/2.

Datum uitspraak: 6 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijefurd,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een fokzeugenvermeerderingsbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 31 maart 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 7 mei 2006, bij de Raad van State op 9 mei 2006 per fax ingekomen, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juni 2006, waar [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door W. Foppen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    De Voorzitter ziet vooralsnog geen aanleiding om verzoekers niet als belanghebbenden te beschouwen, mede gelet op de afstand van de inrichting tot de woningen van verzoekers in verhouding tot de voor de inrichting op grond van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) vereiste afstanden tot voor stank gevoelige objecten.

2.3.    Verzoekers stellen onaanvaardbare stankhinder te ondervinden als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Hiertoe voeren zij aan dat door de omschakeling van een traditioneel stalsysteem naar een Groen-Labelstalsysteem de ammoniakuitstoot weliswaar wordt beperkt, maar dat ammoniak slechts een van de componenten is die stank veroorzaken. De stankafname als gevolg van deze omschakeling weegt niet op tegen de stanktoename als gevolg van de uitbreiding van de inrichting met 1.600 gespeende biggen, aldus verzoekers.

   Nu uit het bestreden besluit en de overige stukken blijkt dat wordt voldaan aan de op grond van de Richtlijn vereiste afstanden tot voor stank gevoelige objecten, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare stankhinder niet behoeft te worden gevreesd. De Voorzitter ziet op dit punt dan ook geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4.    Verzoekers stellen onaanvaardbare overlast te ondervinden als gevolg van een toename van het verkeer door het dorp. Hiertoe voeren zij aan dat het aantal transportbewegingen van en naar de inrichting toeneemt als gevolg van de uitbreiding van de inrichting.

   De gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de inrichting worden niet aan de inrichting toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval indien dit verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Gelet op de afstand van de inrichting tot het dorp, is het verkeer van en naar de inrichting op het moment dat het zich in het dorp bevindt, opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Het antwoord op de vraag of het aantal transportbewegingen door de uitbreiding van de inrichting toeneemt, is in dit verband dan ook niet relevant. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare overlast van het verkeer van en naar de inrichting niet behoeft te worden gevreesd. De Voorzitter ziet op dit punt dan ook geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Van Gemert

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006

312-493.