Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3677

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200602703/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam het wijzigingsplan "I bestemmingsplan Lange Steeg 1e herziening" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:12
Algemene wet bestuursrecht 3:13
Algemene wet bestuursrecht 3:15
Algemene wet bestuursrecht 3:16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/854
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602703/2.

Datum uitspraak: 6 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam het wijzigingsplan "I bestemmingsplan Lange Steeg 1e herziening" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 maart 2006, nr. DRM/ARB/06/692, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben verzoeker sub 1 bij brief van 8 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2006, en verzoeker sub 2 bij brief van 10 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2006, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft verzoeker sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft verzoeker sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 22 juni 2006, waar verzoeker sub 1, in persoon, verzoeker sub 2, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ir. T. Leene, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door drs. M.H.J. Kleverwal, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Naar aanleiding van de reactie van verweerder ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen overweegt de Voorzitter als volgt.

2.2.1.    Het wijzigingsplan "I bestemmingsplan Lange Steeg 1e herziening" (hierna: het wijzigingsplan) is gebaseerd op artikel 5, zevende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Lange Steeg, 1e herziening" (hierna: het bestemmingsplan).

   Ingevolge artikel 5, achtste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan is bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zoals deze luidde ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan, van toepassing. De ter inzage legging van het ontwerp-bestemmingsplan heeft plaatsgevonden voor 1 juli 2005.

   Hieruit volgt dat op de totstandkoming van het wijzigingsplan afdeling 3.4 van de Awb, zoals deze luidde tot 1 juli 2005, van toepassing is. De ter inzage legging van het ontwerpwijzigingsplan en de mogelijkheid van het indienen van zienswijzen bij het college van burgemeester en wethouders, zijn derhalve gebaseerd op de artikelen 3:12 en 3:13 van de Awb, zoals deze luidde tot 1 juli 2005.

   Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht. Aangezien artikel 3:15 van de Awb geen deel uitmaakt van afdeling 3.4 van de Awb zoals deze luidde voor 1 juli 2005, gaat de Voorzitter er vooralsnog van uit dat artikel 6:13 in een situatie als hier voorligt, niet van toepassing is. Naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter zal de omstandigheid dat verzoekers geen zienswijzen hebben ingediend bij het college van burgemeester en wethouders dan ook niet leiden tot het oordeel dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn.

2.3.    Het wijzigingsplan voorziet in woningbouw op een deel van de percelen Vinkenpolderweg 20 en 22.

2.4.    Verzoekers stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. Zij voeren daartoe aan dat de woningen te groot zijn en daardoor leiden tot een aantasting van het woongenot. Voorts stellen verzoekers dat de woningen te dicht bij de bestaande lintbebouwing zijn voorzien en dat het gemeentebestuur hen ten onrechte niet persoonlijk heeft geïnformeerd over de terinzagelegging van het ontwerp-plan. Volgens verzoeker sub 2 leidt het wijzigingsplan tot een zodanige toename van verkeer dat voor verkeersproblemen en een verkeersonveilige situatie moet worden gevreesd. Verzoekers beogen te voorkomen dat onomkeerbare gevolgen zullen optreden als gevolg van de inwerkingtreding van het wijzigingsplan.

2.5.    Verweerder heeft het plan goedgekeurd. Daarbij heeft hij overwogen dat het wijzigingsplan voldoet aan de wijzigingsregels zoals deze in het bestemmingsplan zijn opgenomen en aan de eisen van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voorts is volgens verweerder geen sprake van een spoedeisend belang, nu er geen bouwvergunning is verleend voor de bouw van twee woningen op de locatie Vinkenpolderweg 20 en 22.

2.6.    Ter zitting is komen vast te staan dat reeds een bouwaanvraag is ingediend voor de bouw van twee woningen op de voornoemde percelen en dat het gemeentebestuur voornemens is de bouwvergunning te verlenen op het moment dat het wijzigingsplan in werking treedt. Hieruit volgt dat verzoekers thans een spoedeisend belang bij de beoordeling van het verzoek hebben.

2.7.    Ingevolge artikel 5, zevende lid, voor zover thans van belang, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen voor wat betreft het gebied nader op de plankaart aangegeven als "Gebied wijzigingsbevoegdheid" ten behoeve van de bouw van woningen, met dien verstande dat:

(…);

e. woningen en bijgebouwen op tenminste 2 meter uit de kant van de sloot, danwel 3 meter uit de zijdelingse perceelsgrens moeten worden gebouwd;

f. de bouwhoogte van woningen ten hoogste 9 meter mag bedragen;

(…).

2.8.    Ingevolge artikel 2, tweede lid, onder b, van de voorschriften van het wijzigingsplan bedraagt de bouwhoogte van de woningen ten hoogste 9 meter.

   Op de plankaart is een in acht te nemen afstand van 3 meter opgenomen vanaf het bouwvlak van de woningen tot aan de erfafscheiding en een in acht te nemen afstand van 2 meter vanaf het bouwvlak tot aan de sloot.

2.9.    Ter zitting is door verzoekers desgevraagd toegelicht dat zij niet betwisten dat het wijzigingsplan past binnen de wijzigingsregels zoals die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Voor zover verzoekers stellen dat de woningen zijn voorzien op een te korte afstand van de bestaande lintbebouwing en dat het wijzigingsplan leidt tot verkeersproblemen overweegt de Voorzitter dat het bestemmingsplan aan de betrokken percelen met de bestemming "Woondoeleinden" en nader op de plankaart aangegeven als "Gebied wijzigingsbevoegdheid" de mogelijkheid biedt woningen op te richten, waarbij, gelet op de wijzigingsregels, niet is uitgesloten dat tot 3 meter van de zijdelingse erfgrens wordt gebouwd. De aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming met het daarmee samenhangende verkeer dienen met het bestaan van de door verweerder goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven te worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. De Voorzitter is voorshands van oordeel dat, gelet op hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat geen gebruik mocht worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.

   Voor zover verzoekers stellen dat zij persoonlijk op de hoogte hadden moeten worden gebracht van het in procedure zijnde wijzigingsplan, overweegt de Voorzitter dat hiervoor geen steun te vinden is in het recht.

2.10.    Gelet op het voorgaande verwacht de Voorzitter niet dat de Afdeling in de bodemprocedure het besluit van verweerder tot goedkeuring van het wijzigingsplan niet in stand zal laten.

De verzoeken dienen te worden afgewezen.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Verbeek

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006

178-500.