Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3675

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200601626/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Hardenberg, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 mei 2005, het bestemmingsplan "Buitengebied Avereest, herziening ex. artikel 30 WRO" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601626/2.

Datum uitspraak: 6 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

De vereniging "Eigenaarsvereniging De Haar", gevestigd te Balkbrug, gemeente Hardenberg,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Hardenberg, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 mei 2005, het bestemmingsplan "Buitengebied Avereest, herziening ex. artikel 30 WRO" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 januari 2006, kenmerk RWB/2005/2381, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brieven van 26 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2006, respectievelijk beroep ingesteld en de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 maart 2006.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 juni 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door G.A. Boerhof, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. van Maurik, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Hardenberg, vertegenwoordigd door J. Wuiten, ambtenaar van de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. E.J. Blom, advocaat te Amsterdam, en [eigenaar].

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.3.    Het plan voorziet in de mogelijkheid om 13 recreatiebungalows te bouwen op recreatieterrein "De Haar", doordat aan het plandeel met de bestemming "R (recreatieve doeleinden)" deels de aanduiding "Rb (recreatiebungalows)" is toegekend. Het betreft twee delen van dat plandeel, welke een oppervlakte hebben van respectievelijk ongeveer 5400 m² en 3400 m². Op de plankaart is aangegeven dat op het grootste deel van bedoelde gronden de bouw van maximaal 8 recreatiebungalows is toegestaan en op het andere deel de bouw van maximaal 5 recreatiebungalows is toegestaan.

2.4.    Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de aanduiding "Rb (recreatiebungalows)". Daartoe betoogt zij dat de gronden niet in eigendom zijn van de eigenaar van [belanghebbende] (hierna: de camping) en de uitvoerbaarheid van het plan gelet hierop twijfelachtig is. Voorts is, volgens verzoekster, onvoldoende gewaarborgd dat ter plaatse voldoende groen in stand blijft. De behoefte aan de bungalows voor de specifieke doelgroep, kinderen met ADHD en hun ouders, wordt door verzoekster betwijfeld. Zij heeft de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, teneinde te voorkomen dat met de bouw van de 13 recreatiebungalows zal worden begonnen voordat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.

2.5.    Verweerder heeft de plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd.

2.6.    Niet is gebleken dat de gronden waarop de recreatiebungalows zijn voorzien, niet in eigendom zijn van de eigenaar van de camping, [eigenaar], aangezien deze gronden blijkens de kadastrale gegevens op zijn naam staan. De Voorzitter is dan ook niet gebleken dat in zoverre gerede twijfel bestaat over de uitvoerbaarheid van het plan.

2.7.    De gronden waarop de recreatiebungalows zijn voorzien, zijn gelegen op het recreatieterrein "De Haar" tussen de reeds bestaande recreatiebungalows, waarvan een groot deel in gebruik is voor permanente bewoning. Genoemde gronden zijn thans door de camping in gebruik als ponyweide en zijn omzoomd met bomen en struiken.

   Gelet op het huidige gebruik van de gronden, de voorziene lage bebouwingsdichtheid daarvan en de omstandigheid dat het meeste groen zich langs de randen van de gronden bevindt en derhalve gehandhaafd kan worden bij bebouwing van de gronden, acht de Voorzitter niet aannemelijk dat door de bouw van bedoelde bungalows veel groen zal verdwijnen. De Voorzitter acht daarbij tevens van belang dat de eigenaar van de camping ter zitting heeft verklaard dat in zijn bouwplannen is voorzien in de handhaving van het overgrote deel van het groen en dat zelfs extra bomen en struiken zullen worden geplant. Ook het ter zitting getoonde inrichtingsplan voor de gronden duidt niet op het verdwijnen van grote delen van het groen.

2.8.    Naar de behoefte aan de 13 recreatiebungalows is door ingenieursbureau Oranjewoud een aanvullend marktonderzoek gedaan, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 17 maart 2003. Dat de in dit rapport neergelegde conclusie dat voldoende marktruimte bestaat voor de exploitatie van de 13 recreatiebungalows, onjuist zou zijn, is niet aannemelijk gemaakt.

2.9.    Nu de Voorzitter gelet op het vooroverwogene niet de overtuiging heeft gekregen dat het besluit omtrent goedkeuring in de bodemzaak op wezenlijke onderdelen niet in stand zal kunnen blijven, ziet de Voorzitter onvoldoende aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek hiertoe dient dan ook te worden afgewezen.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Soede

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006

270-458.