Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3674

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200509128/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2004 heeft appellant (hierna: het college) een aanvraag van [wederpartij] om bekostiging van het vervoer ten behoeve van het schoolbezoek van haar minderjarige [dochter] voor het schooljaar 2004-2005 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509128/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3118 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 september 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2004 heeft appellant (hierna: het college) een aanvraag van [wederpartij] om bekostiging van het vervoer ten behoeve van het schoolbezoek van haar minderjarige [dochter] voor het schooljaar 2004-2005 afgewezen.

Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2005, verzonden op 28 september 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 oktober 2004 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 november 2005. De laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 23 januari 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2006, waar het college, vertegenwoordigd door G.H.M. Langens en drs. S.F.M. van Wersch, beiden ambtenaar bij de gemeente, en [wederpartij] in persoon zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet op de Expertisecentra verstrekt het college ten behoeve van het schoolbezoek aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, aan de leerling op aanvraag bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het daarbij bepaalde.

2.2.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening leerlingenvervoer gemeente 's-Hertogenbosch 2002 (hierna: de Verordening) wordt onder afstand verstaan de afstand tussen de woning van de leerling en de school gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.

   Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Verordening verstrekt het college aan de ouders van de leerling die - voor zover hier van belang - een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt.

   Ingevolge artikel 29 van de Verordening kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie voor de begeleiding, de regionale verwijzingscommissie en eventueel andere deskundigen.

2.3.    Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de bestreden beslissing op bezwaar van 5 oktober 2004 vernietigd op de grond dat dit besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen. De rechtbank heeft daarbij - kort samengevat - overwogen dat het college zich bij het nemen van dat besluit louter heeft laten leiden door de afstand, maar bij de bepaling daarvan niet de specifieke omstandigheden van [dochter], blijkende uit onder meer een verklaring van 13 juli 2004 van drs. A. van den Hurk, Orthopedagoog/GZ-psycholoog, heeft betrokken.

2.4.    Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in de omschrijving van het begrip afstand niet besloten ligt dat bij de bepaling daarvan de specifieke omstandigheden van de leerling een rol spelen. Zodanige omstandigheden kunnen, aldus het college uitsluitend van betekenis zijn bij beantwoording van de vraag of een beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 29 van de Verordening.

2.4.1.    Dit betoog slaagt. Op grond van het bepaalde in artikel 11 van de Verordening bestaat bij een afstand van minder dan zes kilometer geen aanspraak op bekostiging van het vervoer van een leerling. De ouders zullen bij een afstand tot zes kilometer in beginsel zelf het vervoer van hun kind(eren) naar en van school dienen te regelen. Indien daarbij begeleiding nodig is, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de ouders voor die begeleiding zorg te dragen. De vraag of de door het college in aanmerking genomen route als voldoende begaanbaar en veilig is te beschouwen, dient derhalve niet te worden beantwoord aan de hand van de vraag of de route voor [dochter] als zelfstandig verkeersdeelneemster voldoende begaanbaar en veilig is. De omschrijving van het begrip afstand in artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening dwingt daar ook niet toe. Bepalend is of [dochter] langs die route door een begeleid(st)er naar en van school kan worden gebracht en gehaald. Eerst bij de vraag of van het bepaalde in voornoemde artikelen met toepassing van artikel 29 van de Verordening kan worden afgeweken, komen de specifieke omstandigheden van [dochter] aan de orde en kan de overgelegde medische verklaring een rol spelen. De rechtbank heeft dit miskend. Het hoger beroep is dan ook gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling voorts beslissen op het beroep van [wederpartij].

2.5.    [wederpartij] heeft in beroep in de eerste plaats betoogd dat de lengte van de tussen haar woning en de school die [dochter] bezoekt af te leggen route meer dan zes kilometer bedraagt, zodat zij voor bekostiging van vervoer in aanmerking komt. Dit betoog faalt. De Afdeling overweegt in navolging van haar uitspraak van 22 augustus 2001, 200004210/1 (aangehecht), dat het college de afstand tussen het huisadres en de school aan de hand van routeplanners (ANWB en BP) heeft kunnen vaststellen. Het college heeft er daarbij met het oog op de eenduidigheid voor kunnen kiezen alleen de heenweg te meten langs de kortste en de snelste route. De uitkomst van deze routeplanners is in alle gevallen 5.2 kilometer. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door het college vastgestelde afstand niet overeenstemt met de werkelijke. De door haar overgelegde berekeningen van andere routeplanners lopen uiteen, omdat daarin afwisselend de heen- of de terugweg is gemeten en niet altijd de snelste en/of de kortste route is gekozen. Van de in bezwaar overgelegde afstandbepaling met behulp van een routeplanner is voorts gebleken dat [wederpartij] geen huisnummer van de school had opgegeven. Dezelfde routeplanner berekent met gebruik van het huisnummer in een snelste en kortste afstand op de heenweg een afstand die overeenkomt met de afstand die wordt aangegeven door de door het college gehanteerde routeplanners. Het college heeft verder naast de genoemde routeplanners nog andere geraadpleegd die ook in de meeste gevallen op afstanden uitkwamen onder de grens van zes kilometer. Eerst ter zitting heeft [wederpartij] aangevoerd dat de routeplanners van de ANWB en de BP een route aangeven die 's-ochtends is afgesloten. Nu het college niet de gelegenheid heeft gehad daar nader onderzoek naar te doen en verder niet is gebleken dat [wederpartij] dit punt niet eerder naar voren heeft kunnen brengen, gaat de Afdeling daaraan voorbij.

2.6.    Het beroep dat [wederpartij] heeft gedaan op de overgelegde verklaring van drs. A. van de Hurk verstaat de Afdeling aldus, dat zij van mening is dat het college met toepassing van artikel 29 van de Verordening tot bekostiging van vervoer van [dochter] naar en van school had moeten overgaan. Ook dit betoog slaagt niet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29 geen sprake is. In de genoemd medische verklaring is uitsluitend vermeld dat [dochter] niet in staat is zelfstandig te reizen. Hiervóór is daaromtrent al overwogen dat zulks bij een afstand korter dan zes kilometer onder de zorgplicht van de ouders valt. In de omstandigheden vermeld in eerdere aanvragen, waarnaar [wederpartij] heeft verwezen, heeft het college evenmin bijzondere omstandigheden aanwezig moeten oordelen, op grond waarvan tot bekostiging had moeten worden overgegaan.

2.7.    [wederpartij] heeft ten slotte een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, inhoudende dat haar situatie niet is te onderscheiden van die van ouders van leerlingen uit de aan haar woonwijk grenzende wijk "Hintham-zuid", aan wie wel bekostiging van leerlingenvervoer is toegekend. Gebleken is dat het daarbij gaat om op korte afstand van elkaar in die wijk wonende leerlingen, die in verband met de zes-kilometergrens in het ene geval net niet en in het andere geval net wel voor bekostiging in aanmerking kwamen. Dat het college voor de gevallen in die wijk, die net onder de geldende afstandsgrens vallen, een uitzondering wil maken, acht de Afdeling niet onredelijk. Van een met [wederpartij] gelijke situatie kan niet worden gesproken, nu de door het college gemeten afstand in haar geval ruim beneden de afstandsgrens ligt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.

2.8.    Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [wederpartij] ongegrond is.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 september 2005, AWB 04/3118;

III.    verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

47-362.