Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3672

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200507993/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 5 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan appellanten bouwvergunningen geweigerd voor het plaatsen van een dakopbouw op hun afzonderlijke woningen.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 12
Woningwet 12a
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/711
Module Bouwregelgeving 2006/66
JOM 2009/832
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507993/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/1112 van de rechtbank Haarlem van 1 augustus 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 5 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) aan appellanten bouwvergunningen geweigerd voor het plaatsen van een dakopbouw op hun afzonderlijke woningen.

Bij besluit van 20 januari 2005 heeft het college de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 augustus 2005, verzonden op 5 augustus 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 november 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2006, waar [een der appellanten] in persoon, bijgestaan door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. P. de Vries, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De bouwplannen voorzien in de uitbreiding van de tweede verdiepingen van de woningen van appellanten door middel van het plaatsen van een dakopbouw op de dakterrassen aan de voorzijde van de woningen. Het college heeft de bouwvergunningen geweigerd, omdat naar zijn oordeel de bouwplannen niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.

2.2.    Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet dient het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd te zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet.

   Ingevolge artikel 12, derde lid, van de Woningwet blijven de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet buiten toepassing, indien die leiden tot strijd met het bestemmingsplan of met de in de bouwverordening opgenomen voorschriften van stedenbouwkundige aard.

   Ingevolge artikel 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

2.3.    Appellanten voeren aan dat de rechtbank heeft miskend dat aan het negatieve welstandsadvies, dat het college aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, naar inhoud zodanige gebreken kleven dat het college niet daarnaar had mogen verwijzen. Volgens appellanten heeft het negatieve welstandsoordeel tot gevolg dat de reële bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt worden belemmerd.

2.4.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer haar uitspraak van 18 februari 2000, gepubliceerd in AB 2000, nr. 186, dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het bestemmingsplan is bij uitstek het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming wordt gegeven en voorts de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Uit het algemene karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd.

   Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om de bouw te realiseren, zijn burgemeester en wethouders - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - vrijer in hun welstandsbeoordeling en zal deze minder snel geacht worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.

   Met artikel 12, derde lid, van de Woningwet, dat op 1 januari 2003 in werking is getreden, is beoogd aan te sluiten bij de in deze vaste jurisprudentie neergelegde voorrang van het bestemmingsplan.

2.5.    Het primaat van het bestemmingsplan gaat echter niet zover dat geen ruimte meer is voor een negatief welstandsoordeel, indien het ingediende bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Als echter moet worden vastgesteld dat verwezenlijking van uitdrukkelijk in het bestemmingsplan opgenomen bouwmogelijkheden onmogelijk wordt gemaakt dienen de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria op grond van artikel 12, derde lid, van de Woningwet buiten toepassing te blijven.

2.6.     Anders dan appellant betoogt heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college mocht afgaan op het ten behoeve van het bouwplan uitgebrachte welstandsadvies. Ingevolge het ter plaatse geldende uitwerkingsplan "Eiland" van het bestemmingsplan "Zaaneiland" zijn ter plaatse woonhuizen met hoogte van maximaal 8.50 m toegestaan. De planvoorschriften bevatten geen andere voorschriften inzake de maatvoering van de woonhuizen. In het onderhavige geval zijn ter plaatse al woningen gebouwd met een hoogte van 8.10 m. Door het bouwplan verandert deze hoogte niet. Het welstandsadvies staat daarom niet in de weg aan het realiseren van woningen met een hoogte die in het bestemmingsplan uitdrukkelijk is toegestaan, doch slechts aan de manier waarop in het bouwplan is voorzien in de uitbreiding van de tweede etage van de woningen van appellanten, waaromtrent het bestemmingsplan geen bepalingen bevat. De toepassing van de welstandsnota op de door de welstandscommissie aangegeven en door het college overgenomen wijze blijft dus binnen de ruimte die met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan in de concrete situatie bij de welstandsbeoordeling bestaat.

2.7.    Ook de overige door appellanten voorgedragen gronden over de deugdelijkheid van het welstandsadvies betreffen een herhaling van stellingen die ook in beroep bij de rechtbank zijn aangevoerd. De rechtbank heeft deze stellingen echter op goede gronden verworpen.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9.    Het college dient op de hierna aangegeven wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

17.