Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200504359/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening (hierna: het bureau) van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam de aanvraag van appellant om een toevoeging niet ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504359/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3504 van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening (hierna: het bureau) van de raad voor rechtsbijstand Amsterdam de aanvraag van appellant om een toevoeging niet ingewilligd.

Bij besluit van 30 mei 2004 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de raad) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2005, verzonden op 21 april 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 juli 2005 heeft de raad van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn op 27 september 2005 nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend, waarna nog stukken zijn ontvangen. De zaak is naar aanleiding van deze stukken nog aan de orde gesteld ter zitting van 16 mei 2006, waar appellant in persoon is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), zoals dit artikel luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, wordt rechtsbijstand overeenkomstig de bepalingen van deze wet verleend aan hen wier inkomen per maand ten hoogste ƒ 3.530,00 bedraagt, indien zij met een of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voeren.

   Ingevolge artikel 34, vierde lid, van de Wrb worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven voor de vaststelling van het voor de financiële draagkracht in aanmerking te nemen inkomen en vermogen.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: Bdr), zoals dit besluit gold ten tijde van het nemen van het besluit van 30 mei 2004, wordt het vastgestelde maandinkomen verminderd met het bedrag van de ten laste van de rechtzoekende komende premie van vrijwillige verzekering tegen ziektekosten en het bedrag dat de verzekerde krachtens de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten als nominale premie verschuldigd is.

   Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Bdr kan voorts het vastgestelde maandinkomen worden verminderd voor bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste komen van de rechtzoekende en die hij gedwongen is te doen ten gevolge van persoonlijke omstandigheden hemzelf of de leden van zijn huishouding betreffende, indien door deze uitgaven zijn draagkracht in het inkomen duurzaam aanmerkelijk wordt verminderd.

2.2.    Het bureau heeft de aanvraag van appellant om een toevoeging bij besluit van 27 januari 2004 niet ingewilligd, aangezien de draagkracht van appellant volgens het bureau de bij de wet vastgestelde financiële grenzen overschrijdt.

   Ten aanzien van het in stand laten van dit besluit heeft de raad, onder meer, overwogen dat de door appellant genoemde kosten met betrekking tot hypotheek, verzekeringen en auto geen bijzondere uitgaven zijn als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Bdr, nu dit kosten zijn die men gebruikelijk uit het inkomen voldoet en geen uitgaven zijn die betrokkene gedwongen is te doen ten gevolge van persoonlijke omstandigheden. Met betrekking tot schulden die appellant bij creditcardmaatschappijen is aangegaan, heeft de raad geen aanvullende vragen gesteld, aangezien een eventueel aftrekbare maandelijkse aflossing daarvan niet zal leiden tot een draagkracht die uitkomt beneden het grensbedrag.

2.3.    Appellant betwist kennelijk het oordeel van de rechtbank dat de raad op goede gronden heeft besloten dat de door appellant genoemde kosten geen bijzondere uitgaven zijn als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Bdr. Appellant heeft aangevoerd dat hij in het kader van een indertijd dreigend faillissement van zijn bedrijf voor de financiering van zijn tekorten onder meer zijn hypotheek heeft verhoogd en geld heeft geleend van creditcardmaatschappijen.

2.4.    Dit betoog treft geen doel. Nu sprake is van met een onderneming samenhangende schulden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad op goede gronden heeft besloten dat de door appellant genoemde kosten geen bijzondere, op zijn persoonlijke omstandigheden betrekking hebbende uitgaven zijn. Nu, indien de met deze schulden samenhangende aflossingen en betalingen buiten beschouwing worden gelaten, een inkomen resteert dat het grensbedrag te boven gaat, behoefde naar het oordeel van de Afdeling voorts geen aanleiding te bestaan om verdere gegevens met betrekking tot de overige schulden nader te onderzoeken.

2.5.     Appellant betwist kennelijk ook het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding behoorden te geven om van het door de raad met betrekking tot extreem hoge lastendruk gevoerde beleid af te wijken. Dit beleid komt er op neer dat bij een extreem hoge lastendruk onderzocht wordt of het netto besteedbare inkomen zodanig laag is dat er geen ruimte meer overblijft om in de kosten van rechtbijstand te voldoen. Hiertoe wordt evenwel niet overgegaan in geval het inkomen, verminderd met de lasten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bdr, leidt tot een draagkracht die meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm vermenigvuldigd met de factor 2,25.

2.6.    Evenals de rechtbank acht de Afdeling evenbedoeld beleid ter zake van extreem hoge lastendruk niet onredelijk. Nu niet in geschil is dat ten tijde van belang het inkomen van appellant, verminderd met de lasten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Bdr, leidt tot een draagkracht die meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm vermenigvuldigd met de factor 2,25 en ook de Afdeling niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die de raad noopten om van dit - als hardheidsclausule gevoerde - beleid af te wijken, behoefde voor de rechtbank geen aanleiding te bestaan de beslissing op bezwaar onrechtmatig te achten.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

45-402.