Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY3665

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
12-07-2006
Zaaknummer
200510322/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "GTO Plating B.V." een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een galvaniseerbedrijf gelegen op het perceel Rietveldenweg 32b te 's-Hertogenbosch. Dit besluit is op 6 november 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2006/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510322/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Heineken Nederland B.V.", handelend onder de naam "Heineken Nederland Supply", gevestigd te 's-Hertogenbosch,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "GTO Plating B.V." een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een galvaniseerbedrijf gelegen op het perceel Rietveldenweg 32b te 's-Hertogenbosch. Dit besluit is op 6 november 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2005, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door C.C.M.M. van den Tillaert en mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's-Hertogenbosch, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door P.J.A.M. Zwaans, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Appellante stelt dat de aanvraag niet overeenkomt met de feitelijke situatie. In dit verband voert zij aan dat de bouwtekeningen bij de aanvraag niet overeenstemmen met de werkelijke situatie nu een aantal gebouwen, die niet zijn aangevraagd, al geruime tijd in gebruik zijn binnen de inrichting. Voorts kan volgens appellante niet worden beoordeeld of kan worden voldaan aan de voorschriften inzake brandveiligheid nu aan de in de aanvraag vermelde gebouwen 1 en 2 een aanbouw is gebouwd en deze aanbouwen, eveneens in strijd met de aanvraag, niet voorzien zijn van een sprinklerinstallatie. Tot slot zijn er volgens appellante in afwijking van de aanvraag vijf in plaats van de aangevraagde vier galvanolijnen in werking en is er een zesde galvanolijn in aanbouw.

   Uit het systeem van de Wet milieubeheer volgt dat verweerder moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De gebouwen waarop appellante doelt en de vijfde en de zesde galvanolijnen zijn niet aangevraagd. Deze beroepsgrond heeft derhalve geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Appellante vreest voor bodemvervuiling vanwege de bij het bestreden besluit vergunde inrichting. Hiertoe voert zij aan dat enkele vloeren niet vloeistofdicht zijn, dat bij de aanvraag geen certificaat van vloeistofdichtheid is overgelegd en dat ten onrechte niet is voorzien in voorschriften met betrekking tot bluswateropvang.

   Uit voorschrift 4.3.1 volgt - kort gezegd - dat de vloeren in ruimten waar potentieel bodembedreigende activiteiten plaatsvinden vloeistofdicht dienen te zijn zodat (vloei)stoffen of verontreinigd hemelwater niet in de bodem of het oppervlaktewater kunnen geraken. Uit voorschrift 4.3.2 volgt dat de vloeistofdichte vloer aan alle zijden zodanig moet zijn begrensd dat geen vloeistof van het vloeistofdichte vloergedeelte kan aflopen anders dan naar de bedrijfsriolering die op het vloeistofdichte vloergedeelte is aangesloten. Ingevolge voorschrift 4.5.1, voor zover hier van belang, moet als bewijs van vloeistofdichtheid van een vloeistofdichte vloer, verharding of bedrijfsriolering een geldige PBV-Verklaring Vloeistofdichte Voorziening aan het bevoegd gezag kunnen worden getoond.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de aan de bestreden vergunning verbonden voorschriften verontreiniging van de bodem wordt voorkomen dan wel voldoende beperkt. Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat van het vloeistofdicht zijn van de vloeren nog niet geheel sprake is en dat de ingevolge voorschrift 4.5.1 vereiste verklaring nog niet is overgelegd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften. Deze beroepsgrond faalt.

2.5.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte de CPR 15-1 in plaats van de CPR 15-2 heeft toegepast nu binnen de inrichting jaarlijks meer dan 10 ton gevaarlijke (afval)stoffen wordt opgeslagen.

   De CPR 15-1 is van toepassing indien in een opslagplaats maximaal 10 ton wordt opgeslagen. Ingevolge voorschrift 2.2.2, voor zover hier van belang, mag de hoeveelheid vloeibare afvalstoffen in emballage niet groter zijn dan 2.500 liter of kilo. Ingevolge voorschrift 13.1.1, voor zover hier van belang, mogen in de inrichting in emballage aanwezig zijn 25 liter oxiderende stoffen (waterstofperoxide), 500 liter (zeer) vergiftige stoffen, 2.500 liter corrosieve/bijtende stoffen, 3.500 liter irriterende stoffen en 1.000 liter overige schadelijke stoffen. In totaal wordt er binnen de inrichting 10.025 liter (gevaarlijke) (afval)stoffen opgeslagen. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt 10.000 liter in een opslagplaats als bedoeld in de CPR 15-1 opgeslagen. De in voorschrift 13.1.1 genoemde 25 liter waterstofperoxide wordt in een aparte opslagplaats opgeslagen. Nu binnen de inrichting per opslagplaats als bedoeld in de CPR 15-1 niet meer dan 10 ton wordt opgeslagen heeft verweerder terecht de CPR 15-1 toegepast.

   Voor zover appellante heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de 20.000 kilo waterzuiveringsslib dat binnen de inrichting vrijkomt, overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat het waterzuiveringsslib overeenkomstig voorschrift 2.1.3 eens per vier weken wordt afgevoerd en niet in emballage wordt opgeslagen. Deze beroepsgrond faalt.

2.6.    Appellante stelt dat uit de voorschriften niet blijkt dat de capaciteit van de scrubbers voldoende is om het debiet van de te reinigen gassen zeker te stellen.

   Ingevolge voorschrift 10.1.1 moeten de bij het galvanoproces vrijkomende dampen doelmatig worden opgevangen en afgezogen en moeten deze worden afgevoerd via een afvoerleiding van daartoe geschikt materiaal, die reikt tot ten minste één meter boven de hoogste daklijn binnen een straal van 25 meter.

   Ingevolge voorschrift 10.1.4, voor zover hier van belang, dient boven de baden waar elektrolytisch ontvet en gebeitst wordt, een bronafzuiging aanwezig te zijn welke de af te zuigen dampen (waterstof en zuurstofhoudend) voert door een scrubber. De installatie dient te voldoen aan de normen voor gasontploffingsgevaar zoals omschreven in voorschrift 15.1.2.

   De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij, gelet op de aan de bestreden vergunning verbonden voorschriften, voldoende zekerheid heeft verkregen dat de capaciteit van de scrubbers adequaat is om de afvoer van de te reinigen gassen te garanderen. Deze beroepsgrond faalt.

2.7.    Appellante stelt dat water geen adequaat blusmiddel is nu de stoffen in de baden niet in aanraking mogen komen met water.

   Blijkens de bij de aanvraag, die onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, behorende veiligheidsinformatiebladen zijn binnen de inrichting alle blusmiddelen toegestaan. Derhalve heeft verweerder terecht het gebruik van een sprinklerinstallatie vergund. Deze beroepsgrond faalt.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2006

159-492.